Paniekvoetbal in de Ruimte
Was er voor 1900 nog gehakketak over in welk jaar voor Christus de aarde precies ontstond, later verschoof dat naar wanneer het heelal tot aanzijn kwam en vooral hóe. Volgens aanhangers van de Big Bang-theorie ontstond het heelal ongeveer 15 miljard jaar geleden met een gigantische explosie van een onmogelijk nietig bolletje, eigenlijk nog niets eens een punt.
| E |
De kosmologen Paul Davies en John Gribbin stellen dat behalve alle denkbare stof bovendien de ruimte zelf in het bolletje zat. Vóórdat het bestond was er geen ruimte, tijd, of materie.
Door een toevallige speling van de natuur (het is niet bekend of die toen eigenlijk wel bestond) was er ineens het bolletje dat zwelde met een explosieve snelheid. In nauwelijks meer dan een miljard-biljoen-biljoenste seconde zette het heelal in wording uit tot ongeveer 10 cm, de omvang van een grapefruit. Daarna verdween de uitzettende kracht en hield de versnelde uitdijing abrupt op. Maar niet zonder een enorme uitbarsting van warmte. Deze warmte en andere krachten lieten steeds meer structuren ‘uitkristalliseren’ — eerst atoomkernen, daarna atomen, gevolgd door melkwegstelsels, sterren en planeten. De eenmaal in gang gezette uitdijing gaat nog steeds continu door. Had het heelal na één seconde een doorsnede van 300.000 kilometer op dit moment zou hij tientallen miljarden lichtjaren beslaan.
Edwin Hubble, de astronoom naar wie de beroemde ruimtetelescoop is vernoemd, hielp onbewust mee aan de bevestiging van deze theorie. Hij ontdekte in de jaren 20 dat het licht van bijna alle melkwegstelsels naar het rode of lange golflengte deel van het spectrum verschoof. Dit werd uitgelegd als een teken dat melkwegstelsels zich met grote snelheid van elkaar verwijderen en dat het heelal dus uitdijt.
De roodverschuiving wordt na Hubble’s ontdekking met het dopplereffect verklaard. Dit effect treedt op als een geluidsproducerende object naar een toeschouwer toe of ervan af beweegt. Het is herkenbaar in het geluid van een misthoorn op een trein die voorbijraast. Als de trein aankomt worden de geluidsgolven samengedrukt en vormt zich een hoge toon. Als de trein van de luisteraar af beweegt worden de geluidsgolven langer en zakt de toonhoogte. Op het gebied van het licht zou dit net zo gebeuren.
Enthousiaste astronomen verschenen op tv met een ballonnetje en legden aan het publiek uit hoe het heelal volgens de oerknaltheorie uitzet.
De oppervlakte van de ballon neemt toe als die wordt opgeblazen. Stel je hebt een ballon zo groot als de aarde, dan is het vrij simpel voor te stellen dat de afstand tussen personen onderling met het groter worden van de ballon toe zal nemen. Op die manier zou de ruimte tussen melkwegstelsels uitdijen en de afstand ertussen toenemen.
Toen die gedachte eenmaal door de ‘hot shots’ van de astronomie werd geaccepteerd, werd de deur naar andere mogelijke verklaringen gesloten.
Eigenzinnige onderzoekers die de heersende orthodoxie in twijfel trokken ondervonden moeilijkheden om financiële steun te verkrijgen voor het verwerven van facilitaire mogelijkheden en bij de publicatie van artikelen.
Eén daarvan is Halton Arp, een astronoom van naam, die telescooptijd werd geweigerd aan de sterrenwachten van Mount Wilson en Palomar, uitsluitend en alleen omdat zijn observatieprogramma bewijzen had geleverd die in strijd waren met het standaard-oerknalmodel!
In een toelichting op het bewijs van de oerknal schreef de redactie van de NewScientist in een hoofdartikel: ‘Nog nooit is zo’n machtig bouwwerk op zulke onsolide fundamenten opgetrokken’. Toch kreeg deze theorie in 1951 nog de zegen van paus Pius XII, waarna ze heel snel tot ‘natuurwet’ promoveerde.
Maar er zijn nog andere verklaringen mogelijk voor de roodverschuiving. Eén daarvan is de zogenaamde ‘vermoeid lichttheorie’. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat het quantumvacuüm (vroeger de ether genoemd), waar het licht zich door voortplant, energie absorbeert. Het is ironisch dat juist Edwin Hubble, naar wie bovendien de Hubble constante — de vermeende uitdijingssnelheid van het heelal — is genoemd, ernstige bezwaren had tegen de interpretatie van de roodverschuiving als teken van een uitdijend heelal en zich een voorstander noemde van de vermoeid lichttheorie.
Van Flandern en Paul LaViolette hebben de bestaande theorieën getoetst aan vele waarnemingen en komen tot de conclusie dat de uitdijend heelaltheorie alleen houdbaar is als er maar genoeg wordt gesleuteld en gepoetst aan de randvoorwaarden, terwijl de vermoeid lichttheorie veel beter in staat is om de waarnemingen te verklaren.
Halton Arp heeft weer andere bezwaren ontwikkeld. Hij heeft gezien dat melkwegstelsels met een lage roodverschuiving verbonden schijnen te zijn met quasars met een hele hoge roodverschuiving. Volgens hem hebben de melkwegstelsels met een lage roodverschuiving de quasars uitgestoten. De hoge roodverschuiving van deze quasars is dus te verklaren door hun jonge leeftijd, het onbesuiste van de jeugd, de enorme vitaliteit van zuigelingen. Hier hebben de orthodoxe kosmologen grote moeite mee.
Bovendien blijkt dat de roodverschuiving in regelmatige stappen plaatsvindt en niet heel geleidelijk. Dit toont aan dat er tussen melkwegstelsels nauwelijks beweging zit. Wat door LaViolette op dichterlijk wijze wordt verwoord:
‘Melkwegselsels stormen niet langer met onvoorstelbare snelheden
van ons vandaan, maar drijven integendeel rustig op de ruimtelijke oceaan.
Als vele schitterende lelies op een groot meer.’
Behalve Van Flandern, Halton Arp, LaViolette en een
groeiend aantal andere astronomen halen ook filosofen hun wenkbrauwen op. Want
op basis van gezond redeneren kan het universum niet anders worden gezien als
een oneindige ruimte. Immers, wat zou er buiten het oneindige universum moeten
zijn? Het woordje ‘niets’ is hier niet op zijn plaats, want dat valt
buiten de werkelijkheid. Niets kan immers niet bestaan.
Wat voor standpunt zou de theosofie innemen? Het is jammer dat
de oprichters reeds lang ter ziele zijn, hun reactie zou heel verrassend
kunnen zijn. Aan de ene kant zouden ze waarschijnlijk veel in de ideeën van Hubble herkennen, op basis van de leer van het inen uitademen van Brahma, aan de andere kant zouden ze kromme tenen krijgen bij het idee dat iets uit niets zou zijn ontstaan. De grote ketterij van afgescheidenheid. Er is geen enkele vorm van leven, hoe onbeduidend ook, nee, niets in de natuur komt met een knal tot ontstaan. Een knal werkt voornamelijk vernietigend, uitdrijvend, niet zoals bij de ontwikkeling van een levend wezen, samentrekkend, opbouwend.
Volgens de theosofie
is er sprake van een afwisselend slapend en ontwakend bewustzijn in een deel
van het oneindige heelal dat heel snel, nog sneller dan de snelheid van het
licht, door de ruimte schiet — let wel: bewustzijn, pure geestkracht — en stof naar zich toetrekt om zich in te belichamen:
Vóór zich ziet de schrijfster een archaïsch handschrift —
een verzameling palmbladeren die door een bepaald onbekend procédé onaantastbaar
zijn gemaakt voor water, vuur en lucht. Op de eerste bladzijde staat een vlekkeloos
witte schijf tegen een dofzwarte achtergrond. Op de volgende bladzijde dezelfde
schijf, maar met een punt in het midden. De onderzoeker weet dat de eerste de
Kosmos in de eeuwigheid voorstelt, vóór het opnieuw ontwaken van de nog sluimerende
energie, de uitstraling van het Woord in latere stelsels. De punt in de tot
dusver vlekkeloze schijf, Ruimte en eeuwigheid in pralaya, geeft de dageraad
van de differentiatie aan. Het is de punt in het wereld-ei (zie Afdeling II,
’Het wereld-ei’), de kiem er binnenin die het Heelal zal worden, het AL, de
grenzeloze periodieke Kosmos. Deze kiem is op afwisselende tijden slapend en
actief. De ene cirkel is de goddelijke eenheid, waaruit alles voortkomt en waarnaar
alles terugkeert. Zijn omtrek — een noodzakelijk begrensd symbool, gezien
de beperking van het menselijke verstand — geeft de abstracte, altijd onkenbare
TEGENWOORDIGHEID aan, en het vlak waarin de cirkel ligt, correspondeert met
de universele ziel, hoewel deze twee één zijn. Het feit dat alleen de oppervlakte
van de schijf wit is en de achtergrond zwart, toont duidelijk aan dat haar gebied
de enige kennis is, hoewel nog vaag en nevelig, die de mens kan bereiken. Dit
is het gebied waar de manifestaties van de manvantara beginnen, want in deze
ZIEL sluimert tijdens het pralaya de goddelijke gedachte1, waarin het plan van
iedere toekomstige kosmogonie en theogonie verborgen ligt.
Zij is het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig,
zonder begin of einde en toch periodiek in haar geregelde manifestaties, terwijl
tussen die perioden het duistere geheim van het niet-zijn heerst; onbewust en
toch absoluut Bewustzijn; niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf
bestaande werkelijkheid; inderdaad ’een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor
de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF, de eeuwige, onophoudelijke
beweging, wordt in esoterische taal de ’grote adem’1 genoemd, dat is de eeuwigdurende
beweging van het Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE. Wat
bewegingloos is, kan niet goddelijk zijn. Maar er is ook in feite en in werkelijkheid
niets absoluut onbeweeglijk binnen de universele ziel.
Beweging binnen de kosmos is eeuwig en onophoudelijk; kosmische
beweging (de zichtbare of waarneembare) is eindig en periodiek. Als een eeuwige
abstractie is zij de ALTIJD-AANWEZIGE; als een manifestatie is zij eindig, zowel
in de richting van wat gaat komen als in de tegenovergestelde richting; beide
vormen de alfa en de omega van opeenvolgende reconstructies. De Kosmos — het
NOUMENON — heeft niets te maken met de oorzakelijke relaties van de wereld van
de verschijnselen. Alleen met betrekking tot de binnen-kosmische ziel, de idele
Kosmos in de onveranderlijke goddelijke gedachte, mogen wij zeggen: ’Zij had
nooit een begin noch zal zij een einde hebben.’ Wat betreft haar lichaam of
kosmische structuur, hoewel men niet kan zeggen dat dit een eerste opbouw had
of ooit een laatste zal hebben, kan toch bij iedere nieuwe manvantara de structuur
ervan worden beschouwd als de eerste en de laatste van haar soort, omdat het
iedere keer op een hoger gebied evolueert . . . .
— H.P. Blavatsky in De Geheime Leer, Proloog, I — 31-32.
![]()
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005