Het Tibetaanse boek van
leven en sterven
Door Sogyal Rinpoche
Met een voorwoord van Z.H. de Dalai Lama
ISBN 902159508
ca. € 27,00
Ik heb niet eerder een spiritueel boek in handen gehad dat zo gemakkelijk te lezen was. Ook op andere punten scoort het boek hoog, vooral de menselijke toon, de vele anekdotes, afgewisseld met persoonlijke ervaringen en levenswijsheden. Maar toch schuilt er ook een geniepig therapeutisch addertje onder het gras.
| D |
Sogyal Rinpoche bespreekt het belang van een juiste houding
ten opzichte van het sterven en dat je daar vooral niet te laat mee moet
beginnen. Elk moment kan hét moment zijn. Maar, en dat vind ik
het kwalijke van dit boek, het hecht mijns inziens, te veel waarde aan
onze voorbereidende houding ten opzichte van de dood. En dan zijn er voor
mijn gevoel te veel therapeutische, te onwesterse oefeningen. In plaats
van de weg van de geest van de lezer open te laten voor zijn eigen inzichten
en hem niet te laten vastklampen aan nieuwe aangeleerde gewoontes, die
toch al zo gemakkelijk aan de buitenkant worden aangeplakt, worden meditatiehoudingen,
inbeeldingen en projecties door Sogyal Rinpoche van harte aanbevolen en
zelfs gestimuleerd.In de dzogchen-leer wordt gezegd dat je Zicht en je houding als een berg moeten zijn. Je Zicht is de som van je totale begrip en inzicht in de natuur van de geest. (...) Zit alsof je een berg bent, met de onwankelbare majesteit van een berg (...) Zit als een berg, laat je geest zich verheffen en zijn vleugels uitslaan.
– blz. 64
De lezer wordt dus helemaal aan het handje genomen. Dit therapeutische systeem wordt helemaal rigide als de voorschriften vertellen dat je de ogen open moet houden om niet in slaap te vallen. En
Wanneer je mediteert, houd je je mond een beetje open, alsof je op het punt staat een diep ontspannen Aaaah te zeggen. Er wordt gezegd dat door de mond een beetje open te laten en hoofdzakelijk door je mond te ademen, de karmische winden, die dwalende gedachten en hindernissen in je geest creëren, minder opkomen.
– blz. 65
Vanuit een Theosofische invalshoek beschouwd,
werpen dit soort voorschriften of aanwijzingen eerder hindernissen op
dan dat ze bevrijdend zullen werken. Het hoofdstukje heet De geest
thuisbrengen. Is dat niet een vermakelijke titel? Of zou het kunnen zijn
dat de geest ons moet thuisbrengen?
Werkelijke meditatie moet een toewijding aan het geestelijke
in onszelf zijn, de hele dag door. In onze geest kunnen we altijd alleen
maar hier zijn en niet daar. Of we nu in een fabriek aan de lopende band
staan, of als typist(e) vreselijk saai materiaal te verwerken krijgen,
innerlijk kunnen we, als we dat willen, altijd Thuis zijn. Het is maar
waar we met onze gedachten naartoe gaan. Maar hoe meer regeltjes we in
ons geestelijke leven opnemen hoe meer we ons ego bevestigen. Aan zelfzucht
komt zo nooit een einde.
Dat het boek zelfs buitengewoon gevaarlijk voor het welzijn
van de mens kan zijn, vinden we terug op bladzijde 222 waar de lachende
boeddha ons leert dat de zogeheten phwowa-oefening te allen tijde
zonder gevaar kan worden gedaan (sic.).
Daarentegen is het tijdstip van de traditionele phowa-beoefening
van het grootste belang. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat als je erin
slaagt je bewustzijn over te brengen vóór het moment van de natuurlijke
dood, dit gelijk is aan zelfmoord. De phowa wordt gedaan wanneer de uiterlijke
ademhaling is opgehouden en de innerlijke ademhaling nog voortduurt; maar
misschien is het het veiligst de phowa te beginnen tijdens het oplossingsproces
dat in het volgende hoofdstuk beschreven wordt ...
Nou, aan dat volgende hoofdstuk komen we al niet
meer toe. We zijn tegen die tijd al overgegaan naar de andere oever, volgens natuurlijk reisschema
of niet. Een nauwkeurige omschrijving van phowa van G. de Purucker:
Ook wel Hpho-Wa genoemd, is het vermogen om zonder woorden
gedachten over te brengen – stemloze spraak. Dit is geen psychisch
vermogen. Zijn psychisch aspect, dat gewoonlijk gedachtenoverbrenging
of telepathie wordt genoemd, is slechts een zwakke uiting van een
werkelijk verheven vermogen en is illusoir, omdat het slechts een weerkaatsing
is van de werkelijke innerlijke geestelijke kracht.
Ware gedachtenoverbrenging is een geestelijk vermogen. Als
men deze geestelijke kracht bezit, kan men zijn gedachten, zijn bewustzijn
en zijn wil overbrengen naar ieder deel van de aarde en daar werkelijk
zijn, zien wat er gebeurt, weten wat er plaatsvindt.
Geen louter psychisch vermogen zal iemand ooit in staat
stellen dit te doen. In Tibet wordt deze kracht aangeduid met de algemene
naam Hpho-Wa. Als men dit vermogen bezit, kan het bewuste en waarnemende
innerlijke zelf even gemakkelijk door stenen muren heengaan als de elektrische
stroom langs of door de koperdraad.
Dit vermogen is dus een geestelijk vermogen en
vraagt dan ook om een geestelijk leven, een moreel leven. De vraag is
echter hoevelen van ons gewone zielen het dagelijks leven zo ver hebben
verfijnd, zo zorgzaam voor anderen zijn, zo verlost van elk kleinste spoortje
kwaadaardigheid, dat we dit geestelijke vermogen zonder onszelf te beschadigen
kunnen verwerven, en hanteren? Hoe snel zal dit soort adviezen uitmonden in het
liefhebberen in het geestelijke?
En dan
in Tibet waren er beoefenaars die weliswaar niet bekendstonden als bijzonder gevorderd, maar die wel een bijzondere aanleg hadden voor phowa en snel tekens van succes vertoonden. Er zijn verscheidene tekens bij een stervende die aangeven of de phowa volbracht is. Soms valt een plukje haar uit bij de fontanel, of men voelt of ziet boven de kruin van het hoofd warmte, of een waas verrijzen. In sommige uitzonderlijke gevallen hadden de meesters of de beoefenaars zoveel kracht, dat als ze de lettergreep uitten die het overbrengen feitelijk bewerkstelligt, alle aanwezigen ter plekke flauwvielen of dat een stukje bot van de schedel van de dode afvloog op het moment dat het bewustzijn met enorme kracht uitgestoten werd.
– blz. 223
Nou ja, gelukkig volgt daarna een hoofdstukje onder de titel de Genade van gebed op het moment van de dood. Daar ben ik dan wel aan toe, als ik ben bijgekomen van mijn flauwte. Maar hoe dan ook, hier zien we toch niets geestelijks in, het roept geen groter gevoel van mededogen op? Het geeft wel een fascinerende kijk op fysiologische mogelijkheden van de mens, maar daar blijft het dan bij. Een andere vreemde voorstelling van karma vinden we op blz. 187-8:
... Want het feit dat zij (die lijden FP) het instrument
zijn voor het opwekken van je mededogen, zelfs al is het maar voor een
ogenblik, brengt hun enorme verdienste. Omdat zij er medeverantwoordelijk
voor zijn dat jij je hart geopend hebt en een zieke of stervende met je
mededogen hebt geholpen, zal de verdienste van die daad vanzelf naar hen
terugkaatsen.
Je kunt ook in gedachte de verdienste van die daad aan je
vriend of familielid opdragen.
Wil de schrijver hiermee zeggen dat als een dief bij mij inbreekt en ik daardoor veel mededogen ontwikkel bijvoorbeeld doordat ik mij realiseer dat die dief toch wel enorm te betreuren moet zijn dat hij zo ver moest zakken dat hij ging inbreken; wil Rinpoche dan beweren dat die dief er beter van wordt door bij mij te hebben ingebroken? Een merkwaardige constructie. Een ander onbevredigend antwoord vind ik het antwoord dat wordt gegeven op wat met het bewustzijn van zelfmoordenaars gebeurt (blz. 364):
Wanneer iemand zelfmoord pleegt, heeft zijn bewustzijn geen andere keuze dan zijn negatief karma te volgen en het kan gebeuren dat een kwade geest zijn levenskracht grijpt en in bezit neemt. Om het bewustzijn van iemand die zelfmoord heeft gepleegd te bevrijden, moet een krachtige meester speciale beoefeningen doen, zoals vuurceremonin en andere rituelen.
Een zeer onbevredigende uitleg en zeer ontoereikend
vergeleken met de theosofische. Daarin vinden we dat een zelfmoordenaar
die door die welbewuste daad zichzelf van zijn laagste beginselen berooft,
niettemin zijn hoogste beginselen, het denken en bewustzijn behoudt.
Bovendien stelt degene die zijn leven uit eigen wil beindigt zich bloot
aan allerlei krachten waartegen hij zich normaal gesproken beschermd weet.
Een mens die op jeugdige leeftijd aan een ziekte sterft, zal tot de tijd
daar is dat hij van ouderdom zou zijn gestorven, in een soort slaap worden
gehouden. Het is een onbewuste droomtoestand. Maar de zelfmoordenaar zal
in de tijd die nog moet verstrijken tot zijn natuurlijke dood, de daad
herhalen die hij het laatst heeft verricht en die de meeste indruk op
zijn ego heeft gemaakt. Telkens en telkens weer zal hij of zij zich voor
een trein werpen, of een of andere vreselijke daad uitvoeren. Bovendien
heeft hij zó diep in zijn karma ingegrepen, zo hardhandig de stroom van
leven die nog door hem heen moest gaan stopgezet, dat zijn volgende leven
zal duren tot hij de leeftijd heeft bereikt waarop hij in het vorige leven
zelfmoord pleegde. Voor meer details zie Collected Writings van
mevrouw Blavatsky.
Al met al geen plezierige kost en daarom is het wenselijk
dat een veel krachtiger waarschuwing van een Tibetaanse geestelijke zou
volgen. Vooral de vele therapeutische wenken, alsof iedereen hetzelfde
medicijn nodig heeft, maken het boek vanuit een werkelijk spiritueel standpunt gezien
onverteerbaar. Ieder mens heeft een andere achtergrond en heeft behoefte
aan een op maat gemaakt medicijn, dat hij of zij zelf zal moeten
bereiden. Een werkelijk spiritueel boek geeft mijns inziens geen hapklare
brokken, maar een overzicht van een spiritueel systeem waarin men
zich herkent en dat naar eigen inzicht uitgewerkt kan worden. Het volgen
van dat systeem dat men in het hart herkent, zal tot een helder inzicht
leiden, waardoor, althans dat is de bedoeling, mededogen wordt
opgeroepen, waardoor het inzicht toeneemt en het mededogen nog meer groeit,
enzovoorts, enzovoorts.
Ondanks al zijn positieve aspecten als hoe te handelen bij
het sterven van een naaste, en waarom het opwekken van compassie zo belangrijk
is, vind ik het Tibetaanse boek van leven en sterven toch geen
aanrader, daarvoor legt het voor mij net iets te veel nadruk op ons kleinere zelf
en onze fascinatie voor de dood. Maar ja, wie ben ik?
![]()
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005