Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

Zijn dieren een geschenk van de natuur?

De moderne wereld is misschien wel een beetje schizofreen bezig ten aanzien van dieren, als ik het zo mag uitdrukken. Of misschien moet ik zeggen ‘wat onintelligent’ of is het gewoon misdadig? Aan de ene kant worden vermoorde koeien en varkens met grijpers in vrachtwagens gesleurd, of anders wel in het halfduister in een ondierlijk akelige stal gehouden en aan de andere kant proberen we ons karma te compenseren door uit alle macht walvissen en dolfijnen terug het ruime sop in te duwen en maken we ons druk om het voortbestaan van de relmuis en korenwolf. Ooit zagen we de verdorvenheid van slavernij in, wanneer zijn de dieren aan de beurt? En — zijn dieren wel intelligent?

V
olgens Van Dale betekent intelligent ‘vlug van begrip of daarvan blijk gevend’, intelligentie ‘verstandelijk vermogen’. Het is een ruime definitie die geen onderscheid maakt tussen mens en dier. Maar wat de zaak mooier maakt dan gewoonlijk wordt herkend is dat vlug van begrip aangeeft dat intelligentie nauw samenhangt met innerlijke wijsheid, want wijs komt van weten. En weten en begrijpen zijn één , als een straal die uit de ziel omlaag komt. Hiermee hebben we een kader waarbinnen we kunnen bekijken of de dieren intelligente wezens zijn of een geschenk van de natuur.
     Zoals eens eerder hier naar voren gebracht weten we dat Damis, de discipel van Apollonius van Tyana, olifanten maar domme dieren vond. Hij wees op een gegeven moment naar een kudde dikhuiden die in één lange keten een rivier overstak en verbaasde zich erover dat de kleinsten voorop liepen. Zijn meester vond het helemaal niet zo vreemd en legde uit dat er juist veel wijsheid — of laten we zeggen intelligentie — achter zit. Hij legt uit dat als de kleinste olifant zijn weg naar de overkant kan vinden, iedereen kan volgen, maar als de grootste voorop zou lopen, zou het heel goed mogelijk zijn dat hij op sommige plekken door te diepe gedeelten zou waden. Bovendien zouden de grote kolossen zulke diepe afdrukken in de zachte modder achterlaten, dat de kleintjes alsnog zouden verdrinken.
     Hier zien we één typisch geval van intelligentie en de liefde waar die van uit gaat. Een olifant die onverschillig zou staan tegenover het welzijn van zijn lotgenoten zou voorop lopen, niet geïnteresseerd in een veilige oversteek van de kleinsten. Maar zo is het dus niet.
     Maar laten nog even verder gaan op onze reis door de natuur en zien of we nog meer sporen van intelligentie kunnen ontdekken. Helena Blavatsky legt in haar artikel over kosmisch denkvermogen in 1890 uit dat een lichaam bestaat uit organismen die bestaan uit levende cellen en dat voedsel niet simpelweg door natuurkundige en chemische wetten van endosmosis en diffusie worden omgezet in energie. Blavatsky bespreekt de waarnemingen van een zekere Engelmann die een ncellig diertje een ware circusact op laat voeren. Zij schrijft:

‘Niet minder waardevol zijn de waarnemingen van Th.W. Engelmann van de Arcella, een eencellig organisme (...) (zie afb.) Hij laat ze onder zijn microscoop zien, op hun kop hangend onderin een druppel water die onder het glazen plaatje hangt, ze liggen zo gezegd op hun rug, binnen de bolle kant van de druppel, zodat de pseudopodia, de uit de cel geprojecteerde voetjes of handjes, geen houvast vinden in het water, en laat daarmee de amoebe hulpeloos hangen. Onder deze omstandigheden kan het volgende interessante worden waargenomen.
     Onder de buitenste rand van één van de kanten van het protoplasma beginnen direct gasbelletjes te vormen, die zorgen dat die kant van de cel lichter wordt waardoor die omhoog gaat en tegelijkertijd de andere kant van het wezen in contact brengt met het glas, en daarmee met zijn pseudopodia, de valse voetjes, een houvast vindt aan het glasoppervlak. Dan is hij in staat zich in zijn geheel om te keren en weer te ‘staan’. Hierna slikt de amoebe de gasbelletjes in en gaat weer op weg.
     In de woorden van Th.W. Engelmann zelf:
     Als ze de oppervlakte van het glas hebben bereikt en niet mr houvast voor hun voeten hebben gevonden dan daarvoor, zien we direct aan een kant de gasbolletjes in grootte afnemen en aan de andere kant in aantal en grootte toenemen, totdat de wezentjes met de rand van hun schelp het oppervlak van het glas hebben bereikt, waardoor ze om kunnen keren. Dit is nog niet gebeurd of de gasbolletjes verdwijnen en de Arcellae beginnen te kruipen. Maak ze voorzichtig met behulp van een fijne naald los van het glas en breng ze dus nogmaals naar beneden naar het lagere oppervlak van de druppel water en ze zullen hetzelfde proces herhalen. (...) Probeer ze in zo ongelukkig mogelijke posities te brengen en telkens zullen ze in staat zijn op een of andere manier zich daaruit te redden. En hebben ze zichzelf gered, direct verdwijnen de gasbelletjes. Het is onmogelijk te ontkennen dat deze feiten wijzen op de aanwezigheid van een of ander Psychisch proces in het protoplasma.’ 1

Een ander sympathiek adres waar we een boeiende studie van intelligentie van ncelligen kunnen vinden is bij Dr. Guenter Albrecht-Buehler. Deze microbioloog heeft op zijn zeer uitgebreide en fascinerende website onder andere bewegende beelden gezet van het gedrag van microscopisch kleine cellen. Alleen al de openingswoorden van zijn site zijn hartverwarmend:

... Intelligente ecologien bevatten intelligente populaties, die intelligente organismen bevatten, die intelligente cellen hebben, die intelligente compartimenten bevatten, die . enz., enz.2

Hij heeft ontdekt dat cellen ogen hebben en een brein om de gegevens die ze ontvangen intelligent te verwerken. De ogen van een cel bestaan uit een complex aantal lamellen die rondom centriolen, kokervormige deeltjes in de cel, haaks naast elkaar liggen. Het licht kan slechts door één opening van de lamellen vallen en door nu gebruik te maken van haaks op elkaar liggende kokertjes kunnen ze de herkomst van het licht binnen een driedimensionale ruimte herleiden.
    Op zijn website zijn we er getuige van hoe cellen bewust een object op hun weg ontwijken of er juist op afsturen. En we zien ook hoe handig een cel zijn lichaam schijnbaar moeiteloos aanpast aan de omstandigheden. Als een cel een andere kant op wil, dwingt hij zijn lichaam niet om met veel moeite een andere kant op te kronkelen, nee, hij verandert simpelweg van vorm. Wat eerst de voorkant was met de zintuigen wordt gewoon de achterkant, en de achterkant waar de zweephaar zit die voor de beweging zorgt, wordt plotseling aan de voorkant gevormd en zo, alsof er iemand in een slaapzak zit ingepakt en daarmee een andere kant op wil, kan de cel zijn avontuur in zijn lichaam creatief beleven.
     Een ander opvallend gegeven is dat alles wat leeft behoefte heeft aan voedsel. Of het nu om een blauwe vinvis gaat, een bacterie, of een amoebe, alles jaagt op voedsel. Je ziet dat er tot in het oneindig kleine leven verlangen en begeerte bestaan.
     In Nature’s Destiny van Michael J. Denton wordt een jachttafereel geschetst dat zich af had kunnen spelen in de Afrikaanse savannes, in een aflevering van National Geographic, maar nee, het speelt zich af in onze eigen ingewanden. Amoebes zijn voortdurend op jacht, en ze jagen zelfs op elkaar. Soms is de prooi samengetrokken, d.w.z zijn de pseudopodia, de ledematen, ingetrokken en dat is het geen probleem hem op te slokken. Maar lang niet alle slachtoffers zijn passief en velen slagen er in aan hun belager te ontkomen. In de woorden van Denton:

        Ik had geprobeerd een amoebe in tween te snijden met de punt van een glazen staafje. Het achterste deel van het diertje, in de vorm van een gekreukeld balletje, bleef gehecht aan de rest van het lichaam middels een fijn draadje. Bij de illustratie noemen we daarom de amoebe a en het voortgesleepte balletje b. Een grotere amoebe (c) nadert haaks op de route van a. Zijn weg bracht hem per ongeluk in contact met b, die zo gezegd voor zijn neus langs werd getrokken. Amoebe c besloot daarop te draaien en de achtervolging in te zetten en omspoelde op een gegeven moment balletje b. Een ruimte werd gevormd aan de voorkant van c . voldoende om de bal te omsluiten. Amoebe a besloot daarop van richting te veranderen, amoebe c volgde. . Na de achtervolging die enige tijd in beslag nam, was balletje b volledig ingesloten door amoebe c. Het draadje dat b met a verbond brak en a ging zijn eigen weg. Nu werd de voorkant van amoebe c gedeeltelijk gesloten, waardoor er alleen nog een kleine passage open bleef .Er was geen verbinding tussen het protoplasma van bal b en amoebe c. . Nu begon de grote amoebe c een tegengestelde kant op te gaan en nam zijn maaltje mee. Maar dat maaltje — balletje b, begon nu tekenen van leven te vertonen en projecteerde pseudopodia, weet u nog, de valse voetjes, en werd bijzonder actief. We zullen daarom in het vervolg het balletje amoebe b noemen. B begon eruit te kruipen door de passage die nog steeds een klein beetje open was, en stuurde zijn pseudopodia vooruit, naar buiten. In reactie daarop stuurde amoebe c zijn eigen pseudopodia naar buiten en bewoog dezelfde kant op. Na in die richting een afstand te hebben afgelegd van enkele malen zijn eigen lengte, omgaf die weer amoebe b. Laatstgenoemde ontsnapte weer gedeeltelijk, en werd opnieuw in zijn geheel omspoeld. Amoebe c begon nu opnieuw te bewegen in de tegenovergestelde richting, waarop amoebe b, middels een paar snelle bewegingen, aan de andere kant, de achterkant van amoebe c, ontsnapte, en in vrijheid was — volledig gescheiden van c. Daarop draaide amoebe c zijn beweging weer om, haalde b in, en omspoelde hem wederom in zijn geheel. . Amoebe b trok zich toen samen tot een bal en bleef gedurende een poosje onbeweeglijk stil. Het scheen alsof de jachtpartij voorbij was. Amoebe c ging zeker vijf minuten op weg terwijl er geen teken van leven was van amoebe b. Door de bewegingen van c, werd b langzaam verplaatst naar de vrzijde, totdat er nog maar een uiterst dun laagje protoplasma over was tussen c en het water eromheen. Toen begon b opnieuw te bewegen, stuurde zijn pseudopodia door de dunne wand naar buiten en ging toen met zijn gehele lichaam in het water. Tot op dit moment veranderde amoebe c niet van bewegingsrichting noch ondernam die pogingen om amoebe b opnieuw op te slokken. De twee amoebes bewogen in tegenovergestelde richtingen en gingen elk huns weegs.

— blz. 227-8

Elk stoffelijk lichaam is een wereld op zichzelf, of een stad net zoals u het wilt zien. Elk orgaan speelt een eigen rol in het functioneren ervan, zoals mensen een functie vervullen in de maatschappij zo spelen de organen hun rol. De spijsverteringsorganen vormen bijvoorbeeld de elektriciteitscentrale, de milt het opleidingscentrum van de geneeskundige dienst, de witte bloedlichaampjes het leger of politie, het hart de regering of het staatshoofd en de hersenen het ministerie van cultuur en wetenschappen. Zo bezien vervult alles een aparte functie. Geen enkel orgaan zit er zomaar, zonder enige betekenis. Niet alleen een lichaam maar ook de cellen hebben organen, die worden organellen genoemd. Die organellen hebben specifieke functies. Maar ook die organellen hebben weer organen, al moeten we vele daarvan nog ontdekken.
     We zien dus dat alles in de wereld een functie vervult, al kunnen we die niet altijd duiden. En dat is vaak het probleem, juist omdat we niet kunnen herkennen waar iets voor dient, beschouwen we dat ding simpelweg als overbodig, of als een last, of als een geschenk van de natuur en eigenen we het ons direct toe. Vaak beroven we de natuur van haar kostbaarheden zonder er iets voor terug te geven. Ik hoef hiervan geen voorbeelden te geven, die zien we genoeg om ons heen. Maar het gevolg hiervan is wel dat de stabiliteit in de wereld zoekraakt. We zien het om ons heen, uit het lijden en de ongelijkheid in de wereld ontstaan afgunst, ontevredenheid, opstand en tenslotte oorlog.
     Katherine Tingley, leider van het TG aan het begin van de vorig eeuw, was hier meer dan wie ook van doordrongen en zette zich voor de volle honderd procent in voor wereldvrede, want zonder vrede kan er geen sprake zijn van stabiliteit; als er geen stabiliteit is, zullen het gezinsleven en de kinderen daar­onder lijden. Alles hangt met elkaar samen. Haar persoonlijke ervaringen op zeer jeugdige leeftijd met de ‘oorlogs-misre’ en de meedogenloze en verminkende gevolgen ervan, hadden op haar gevoelige natuur een blijvende indruk achtergelaten. De verschrikkingen en pijn onder soldaten aan beide zijden in de burgeroorlog waarvan zij getuige was, maakten van haar een vurig ijveraar voor vrede en broederschap onder alle volkeren en rassen, en versterkten haar overtuiging dat kinderen op jeugdige leeftijd de schoonheid en belofte van vrede zouden moeten leren kennen vóór ze worden besmet met de ‘glorie’ van de strijd.
     Zij stopte niet alleen veel energie in het geven van een harmonieuze start aan vele kinderen. Ze streed ook nog tegen vivisectie, het weten­schap­pelijke onderzoek op levende dieren, één van de monsterlijkste vormen van studie. Een studie waar verhoudingsgewijs maar heel weinig wordt geleerd tegen een ontzagwekkend hoge prijs. Een prijs die vooral door de onderzoekers moet worden betaald.
     Zij zegt onder meer :

De vivisector zaait zaden in zijn natuur waarvan hij de afgrijselijke oogst zal moeten binnenhalen. Hij verhardt zijn innerlijke en fijnere gevoelens, breekt een deel van de hogere structuur van zijn wezen af, misbruikt zijn denken en beledigt de hogere kwaliteiten van zijn natuur en verliest iets dat hij nooit meer zal terugvinden.
     Hij beseft niet dat telkens als hij zo’n experiment uitvoert, hij zijn eigen natuur vergroft en daardoor ook die van zijn nageslacht, of dat hij de deur sluit voor hogere kennis die zou komen als zijn pogingen op een hoger niveau lagen. Want ook hier weer wordt op niets anders vertrouwd dan op de visie van het verstand, en dan nog wel het allerlaagste aspect daarvan, om kennis te verkrijgen die in feite alleen kan worden verworven door oefening van de geestelijke kant van de natuur — dat hogere zelf dat door de mens bij het verrichten van vivisectie wordt beledigd, buitengesloten en achteruitgezet. De sleutel tot het hogere zelf is altijd mededogen.
     De sleutel tot het hogere zelf is altijd mededogen. Mededogen en compassie komen voort uit het denken met het hart en niet met het hoofd. Sluwheid, berekening en geslepenheid worden gevormd in de hersenen, maar zorgzame gedachten, gedachten geboren uit plichtsbesef en liefde komen uit het hart.

De intelligentie en het inherente vermogen tot samenwerken strekken zich dus over de hele dierenwereld uit. Zo heeft de biologische wereld heel lang met het raadsel geleefd hoe een bepaalde soort platworm — een klein diertje zonder mond of spijsverteringsorganen — in leven kan blijven. Pas vrij recent weten we dat hij zijn energie ontleent aan de fotosynthetische algen die met hem in symbiose leven. Beestjes die in symbiose leven, het is een prachtig verschijnsel in de natuur.
     Dichter bij huis vinden we dit verschijnsel ook. Huisdieren geven aandacht en zijn trouw, in ruil daarvoor geven wij hen liefde. Het is een mooie samenlevingsvorm waarin het hogere in de mens tot activiteit wordt aangezet. Toch houden de Theoso­fische leraren ons voor dat hier een grote prijs voor moet worden betaald. En een saillant punt is, het zijn de huisdieren die moeten betalen. De Purucker zegt onomwonden dat het schadelijk is voor een huisdier om vermenselijkt te worden. Misschien is het pijnlijk voor degenen die van hun huisdier houden of hebben gehouden, maar de omgang met mensen is voor huisdieren uiteindelijk een marteling. Waarom?
     Omdat de dieren een eigen wereld hebben en een eigen evolutio­naire snelheid. Net zoals het ene kind sneller leert dan een ander, zijn de dieren achterblijvers ten opzichte van de mens. Nu is het alleen zo dat het schooljaar van het leven, vooral dat van de mens, eenmaal is begonnen, er worden geen nieuwe studenten meer toegelaten, met uitzondering dan van enkele mensapen. Hoezeer de dieren in hun eigen tijd ook leren, ze kunnen nooit tot die zogenaamde school van de mens, in deze manvantara, worden toegelaten. Wat natuurlijk onbeschrijfelijk pijnlijk is. Ze kunnen zich gedurende de bestaansperiode van deze aarde nooit zover ontwikkelen dat ze hun lot in eigen hand kunnen nemen. Ze blijven als het ware de gevangenen van de kleuterschool, of als u dat meer aanspreekt, ze zijn dan de eeuwige zittenblijvers die wel eventjes in een hogere klas een kijkje hebben kunnen nemen.
     Misschien dat huisdieren daarom trouw en vol liefde zijn. Zij zien ons als hun goddelijke leermeesters die hen een heel nieuw en ruimer perspectief op het leven biedt. Een leven dat bovendien veilig is, geordend, altijd op tijd eten en warmte. Maar de dieren zijn nog niet dood of ze in­car­neren alweer elders. En dan kunnen ze nog een aantal keren een zogenaamd gelukkige periode meemaken in een ander gezin, maar op een dag vissen ze achter het net. Dan in­car­neren ze in een omgeving waar ze thuishoren, in de wilde natuur en worden ze als het ware teruggeworpen in de goot. U kunt begrijpen dat ze met de zoete herinneringen aan de menselijke omgeving een groot lijden tegemoet moeten zien. Het is dus beter goed voor de dieren te zorgen en er een gezonde afstand van te bewaren. Altijd in het belang van de dieren.
     We hebben nu een beeld gekregen hoe de wereld als één grote keten aan elkaar hangt. Van het onzichtbaar kleine tot het onzichtbaar goddelijke. Langzaam kruipt een rups omhoog en zal te zijner tijd zijn vleugels uitslaan en zijn andere gezicht laten zien. Transformatie is het sleutelwoord en alles werkt daaraan mee. Alles is beweging en alles verandert, voortdurend, onder invloed van de sturende invloed van het goddelijke licht. Als wij die stroom van de natuur herkennen en ons eraan aanpassen herstellen we uiteindelijk onze gezondheid. We merken dan dat de natuur geen kadootjes schenkt; alles wordt als gevolg van eerdere oorzaken voortgebracht door die oceaan van gedachte die alles doordringt.

Voetnoten
1 Collected Writings, XII, 133150. Eerder verschenen in Lucifer, Vol. VI, nr. 32, april 1890, blz. 89-100 en The Theosophist, Vol. XI, mei 1890, blz. 414-24.
2 http://www.basic.nwu.edu/g-buehler/cellint.html


Door Fred A. Pruyn, oktober 2005