Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

Evolutie in vijf minuten

Gewoonlijk kan het vraagstuk van evolutie niet in minder dan een klein boek worden behandeld. Maar het moet toch ook anders kunnen? Theosofie is toch niet alleen voor bolle­bozen en intellec­tuelen? Eigenlijk zit het evolutie­proces veel eenvoudiger in elkaar dan wordt gedacht. De mens is gewend dingen moeilijker te maken dan ze in werkelijkheid zijn. Laten we eens zien of we het vraagstuk van evolutie in het licht van de theosofie zo kort kunnen beschrijven dat het zelfs tijdens het wachten op de trein kan worden begrepen:

E
volutie betekent eigenlijk het ontvouwen van leven. Maar de evo­lutie­theorie die we in de school­boekjes vinden of die door de creationisten wordt verdedigd, is eigenlijk strijdig met de betekenis van dat woord, want daarin ontvouwt het leven zich niet, maar ontwikkelt het zich op een moeizame manier, hooguit stapsgewijs. Ofwel door toevallige processen onder de zware druk van de noodzaak om te overleven, ófwel door de dwingende hand van God. Als beide kampen zouden beseffen wat de werkelijke betekenis van het woord evolutie is, zou veel onvrede en frustratie uit de wereld verdwijnen. Dan wordt het namelijk duidelijk dat evolutie uitgelegd kan worden als de uitstraling of uitrolling van bewustzijn, want dát is het werkelijke evo — groeien in bewustzijn.
     Geloof het of niet, theosofen zullen zeggen dat de mens vooral een geestelijk wezen is. Veel minder dan 1/100 van die werkelijke mens is voor ons zichtbaar. Het overige is voor onze zintuigen onzichtbaar, maar desalniettemin wel actief! Zoals alle oude geschriften altijd al hebben laten weten, is het lichaam de tempel van de mens, zijn huis, zijn heiligdom, niet anders dan het slakkenhuis dat voor de slak is of de schelp dat voor de heremietkreeft is. Dit geldt niet alleen voor mens en dier, dit geldt voor alles wat zichtbaar is, dus ook voor mineralen, stenen en planten.
     Alle levensvormen zijn dus manifestaties van bezielde kernen, die we monaden zouden kunnen noemen. Dat wil zeggen, dat wat wij zien, is de uitstroming uit een godde­lijke bron. Die uitstroming — dat bewustzijn — maakt gebruik van een vorm die ligt opgeslagen in het astrale licht. Het astrale licht, ook wel bekend als ākāśa, is het grote reservoir aan beelden en ‘giet­vormen’ van alles wat in de natuur te vinden is en waarin ook alle gedachten en daden liggen opgeslagen en worden opgeslagen, als voetstappen in nat beton. Een lichaam dat nu wordt gebruikt, bestaat al miljoenen jaren in deze vorm en verandert amper. Waarom? Omdat wijzelf slechts een te verwaar­lozen invloed op die vorm hebben, behalve dan een tijdelijke door cosmetisch ingrijpen of door te veel te eten.
     De essentie van het mens-zijn zit in zijn bewustzijn en niet in zijn vorm. Om de herkomst van dat laatste, van die vorm, te beschrijven zijn vijf minuten voldoende, gaat het om het beschrijven van bewustzijn dan hebben we waarschijnlijk nooit tijd genoeg.


Door Fred A. Pruyn, maart 2007