Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

Adembenemende mogelijkheden
van mens en dier

Ruim 61 uur nadat hij zich vrijwillig in een blok ijs had laten opsluiten, gaf de Amerikaan David Blaine op 30 november 2000 het sein dat het mooi was geweest. Zwaar onderkoeld stapte hij de wereld weer in. Maar hij is niet de enige die sterke staaltjes kan laten zien. Zo nu en dan zijn we getuige van bloedstollende gebeurtenissen. Neem die mensen die na een aardbeving soms zelfs na drie weken nog levend uit het puin worden gehaald. Het mag duidelijk zijn, een mens heeft een veel wonderlijker uithoudingsvermogen en mogelijkheden dan we gewoonlijk voor mogelijk houden. Nu eerst een aantal ‘onmogelijke’ overlevingen (Newscientist, 8 maart 2003), daarna de Theoso­fische invalshoek.

I
n 2002 daalde Loïc Leferme zonder zuurstofflessen af naar een diepte van 162 meter. Daarbij nam het aantal hartslagen met de helft af. Later bleek dat de bloedsomloop werd verlegd waardoor het meeste bloed circuleerde langs hart en hersenen.
De roodwangsierschildpad verblijft de hele winter onder het ijs (als dat er is). Hij (of zij) gaat over in een soort comateuze toestand waarbij de stofwisseling met 95% wordt teruggebracht.
De eenvoudige goudvis kan de wintermaanden onder het ijs van een vijver doorbrengen in een vrijwel zuurstofloze omgeving. De vis vertraagt zijn stofwisseling met 90% en zwemt dan heel traag.
De Indische gans trekt jaarlijks van India naar Tibet en kruist dan de Himalaya op meer dan 11.000 meter hoogte. Daar is het zuurstofgehalte rond 20% van dat op zeeniveau, laag genoeg om een mens te doden, maar niet deze hoogvlieger.

Bevroren is nog niet dood

Gedurende een ijskoude winter stoppen ademhaling en hartslag van de boskikker. Ruim 65% van het lichaamsvocht bevriest. Kapitein Francis Smith beschrijft in 1747 een opmerkelijke proef met bevroren kikkers in Canada:

’Neem de aarde waarin de bevroren kikker zit, breek het in stukken zonder het te ontdooien en de kikker zal als glas breken. Ontdooi het stuk aarde met vuur en de kikker zal bijkomen en wegspringen.’

Later meer over schijndood.
     In 2001 publiceerde de Lancet, het toonaangevende Engelse tijdschrift voor de medische wetenschap, een artikel over bijna-dood-ervaringen (b-d-e). Na weten­schap­pelijk onderzoek is vastgesteld dat b-d-e’s niet het resultaat zijn van chemische veranderingen in het brein. Bovendien is men er nu van overtuigd — hoewel dat niet geldt voor de hele medische wetenschap — dat het bewustzijn van de mens buiten het lichaam moet worden gezocht.
     In februari 2003 zond SBS6 een documentaire uit waarin gevallen van schijndood werden belicht. Er blijken regelmatig mensen levend te worden begraven. Sommigen lijden aan een ernstige vorm van narcoleptische epilepsie, een toestand waarin het lichaam geen levenstekenen meer vertoont. Dat de geïnterviewde personen hun bloedstollende verhaal konden vertellen hadden zij te danken aan oplettende toeschouwers die grote twijfels hadden bij de officiële doodverklaring.

Levend begraven

We bladeren terug in de geschiedenis en in Isis Ontsluierd van mevrouw Blavatsky. Daarin lezen we dat fakirs aan een aantal vooraanstaande Engelsen, aan het einde van de negentiende eeuw hebben laten zien dat zij na een lange voorbereidingstijd en een speciaal dieet, in staat zijn lange tijd hun lichamen in een conditie te brengen die het mogelijk maakt voor een lange periode twee meter onder de grond te worden begraven.

‘Sir Claude Wade was aanwezig aan het hof van Rudjit Singh, toen een fakir, [.] zes weken lang in een kist levend werd begraven, in een kleine ruimte, één meter onder de vloer van de kamer. Om de kans op bedrog te verkleinen werd er een garde van twee compagnien soldaten aangesteld, en vier wachters ‘die elke twee uur werden afgelost, dag en nacht, om het gebouw tegen indringers te bewaken. Bij het weer openen,’ verklaart Sir Claude, ‘zagen we een figuur in een witte linnen zak die met een touwtje boven het hoofd was dichtgeknoopt . de bediende van de fakir begon toen warm water over de man uit te gieten . de benen en armen van het lichaam waren gerimpeld en stijf, het gezicht vol, het hoofd teruggeslagen zoals bij een lijk. Ik vroeg toen de arts die mij gezelschap hield naar beneden te gaan en het lichaam te onderzoeken, wat hij ook deed, maar hij kon geen hartslag ontdekken, noch bij de slapen of in een arm. Het enige dat er viel te bespeuren was een opvallende warmte in de buurt van het brein, maar dan ook alleen daar.’1

En vervolgens geeft Blavatsky meer details over het reanimeren van de fakir en hoe hij na wat krampachtige samentrekkingen weer tot leven komt.
     Behalve dit verhaal is er ook de getuigenis van mevrouw Catherine Crowe die we in haar boek Night-Side of Nature kunnen lezen over een gelijksoortige begrafenis van een fakir in aanwezigheid van generaal Ventura en een Maharajah. In dit geval werd het graf aangestampt en werd er ter plekke gerst uitgezaaid. Soldaten hielden er de wacht. Na tien maanden werd de fakir weer opgegraven en met succes gereanimeerd (op.cit.). Dichter bij huis kunnen we de verklaringen vinden van mensen die te vroeg werden begraven en weer opstonden uit de kist bijvoorbeeld tijdens de uitvaartdienst. In één geval stond het personeel van een uitvaartonderneming op het punt de kist dicht te schroeven toen de dode overeind kwam en om koffie en een krant vroeg (op.cit.). Typische gevallen van schijndood.

Schijndood kan lang duren

Nog meer gevallen van schijndood vinden we in de dierenwereld én in de geologie. In Corliss2 treffen we meer dan honderd verslagen aan die betrekking hebben op de vondst van padden en kikkers in steengroeven. Ze zaten in kleine holtes verstopt in steenkool, vuursteen en graniet, die gezien de omgeving waarin ze werden gevonden, ruim honderdduizenden jaren opgesloten moeten hebben gezeten. Opvallend is dat als ze worden bevrijd uit hun uiterst krappe leefomgeving ze slechts voor een korte poos leven.
     Een Theoso­fische verklaring voor dit soort uitzonderlijke, eigenlijk ongeloofwaardige fenomenen is dat een lichaam niet dood is zolang het blijft verbonden met de ziel en geest van de inwonende ego. Er is dan sprake van een soort winterslaap, waarbij de stofwisseling van het organisme op een minimaal waakvlammetje wordt gezet.

Wij bestaan ook op onzichtbare gebieden

Om dit beter te begrijpen zouden we zeven beginselen van de mens eens beter onder de loep kunnen nemen. In De Beginselen van de Esoterische Filosofie van G. de Purucker vinden we het volgende overzicht van de zevenvoudige mens. We beginnen bij het stoffelijke lichaam:
     1. Het sthlasarra. Sthla betekent ‘ruw’, ‘grof’, niet verfijnd, zwaar, lijvig, dik in de zin van groot. Sarra komt van een wortel die we het best kunnen vertalen door te zeggen dat het datgene is wat ‘zich gemakkelijk oplost’, ‘snel slijt’; iets dat vergankelijk, schuimachtig, als het ware vol gaten is. Let op de betekenis die erin ligt verborgen; die is heel belangrijk.
     2. Het tweede beginsel heet het lingasarra. Linga is een Sanskrietwoord dat ‘kenmerkend teken’ betekent; vandaar model, patroon. Het vormt het model of patroon waarnaar het stoffelijk lichaam is gebouwd. Dit stoffelijk lichaam dat grotendeels poreus is, als die uitdrukking is toegestaan, is het meest onwezenlijke dat we kennen, als het ware vol gaten, schuimachtig. We komen later nog terug op deze gedachte.
     3. Het derde beginsel, gewoonlijk het levensbeginsel genoemd, is prna. Dit woord wordt hier in algemene zin gebruikt. Er zijn trouwens een aantal levensstromen of levensfluden. Ze hebben verschillende namen. En stelsel noemt er drie; een ander vijf, dat het algemeen aanvaarde aantal is; weer een ander zeven, nog een ander twaalf, zoals in enkele Upanishads is te vinden; en één schrijver uit de oudheid noemt er zelfs dertien.
     4. Dan is er het kma-beginsel; het woord kma betekent ‘begeerte’. Het is de drijvende, stuwende kracht in de menselijke structuur; kleurloos, goed noch slecht, maar bepaald door het gebruik dat het denkvermogen en de ziel ervan maken.
     5. Daarna komt manas; de Sanskrietwortel van dit woord betekent ‘denken’, ‘overpeinzen’, ‘beschouwen’ — kortom, een mentale activiteit.
     6. Vervolgens komt buddhi, of geestelijke ziel, het voertuig of de drager van het hoogste beginsel, de tman. Buddhi wordt afgeleid van een Sanskrietwortel budh. Deze wortel wordt gewoonlijk vertaald met ‘verlichten’, maar een betere vertaling is ‘ontwaken’, en daarom, ‘begrijpen’; buddha, het voltooid deelwoord van deze wortel, wordt gebruikt voor iemand die geestelijk is ‘ontwaakt’, die niet langer levend dood is, maar zich bewust is van de geestelijke invloed van binnenuit of van ‘boven’. Buddhi is het beginsel in ons dat ons geestelijk bewustzijn schenkt, en is het voertuig van het hoogste deel van de mens. Dit hoogste deel is tman.
     7. Dit beginsel (tman) is universeel; maar tijdens de incarnaties nemen de laagste delen ervan eigenschappen aan, als we het zo mogen uitdrukken, omdat het met buddhi is verbonden, zoals buddhi is verbonden met manas, manas met kma, en zo verder omlaag.3

Deze zevenvoudige opdeling van de mens is niet een op zichzelf staande vondst of bedenksel. Alles in de uitgestrekte oneindigheid van het heelal, is opgebouwd uit zeven delen die elkaar doordringen en aanvullen. In het boeddhisme en in de Griekse mythologie bestaat de poëtische visie van de mens als een snaarinstrument, een zevensnarige lier. Om mooie muziek te kunnen produceren moet elke snaar de juiste spanning hebben. Niet te slap, maar ook niet te strak. Als het instrument goed staat afgesteld, is de basis voor een harmonisch muziekstuk gelegd. Maar waar vinden we die zeven snaren in de mens? Wanneer voelen we ons lekker in ons vel? Wanneer zijn we het gelukkigst? Als we geen zorgen hebben en geen pijn in ons hoofd, niet met een beladen geweten rondlopen, geen gebrek aan liefde voelen en goed gevoed zijn. Kortom als alle behoeften zijn bevredigd en we optimaal functioneren.
     De vergelijking met een snaarinstrument is wat moeilijk voor te stellen als we alleen maar vertrouwd zijn met ons stoffelijk lichaam en niet beter weten dan wat de apostel Paulus ons heeft meegegeven, namelijk dat we slechts bestaan uit geest, ziel en lichaam. Hoewel, verkeerd is die opvatting vanuit de occulte wijsheid geenszins, alleen wat grof in zijn onderverdeling. De mens bestaat inderdaad uit die drie delen, maar als we een verfijnder beeld willen hebben, als we meer inzicht willen hebben in de essentie van ons wezen, moeten we onze studie iets verfijnen en dan wordt duidelijk dat die drie delen, geest, ziel en lichaam, weer opgedeeld kunnen worden in kleinere stukjes. Niet alleen de theosofie leert dit. Deze leringen vinden we ook terug in vele godsdiensten en filosofien. Zie schema van H.P. Blavatsky .

Evolutie is een zaak van lange adem

Het meest frappante van deze schematische indeling is dat het denken van de mens hierin een centrale plaats inneemt. Het woord MENS is dan ook een verbastering van het Sanskriet-woord manas, dat denken betekent. Een mens is dus een denker. In het Engels worden dieren animals genoemd, van anima, adem, en is nauw verwant met animus, ziel. Dieren zijn bezield, wij mensen ook, maar wij zijn evolutionair net iets verder gevorderd en hebben een min of meer ontwaakt denkvermogen en kunnen over onszelf nadenken, de dieren niet.
     Het denkende beginsel ligt dus centraal in de mens, waardoor het aantrekkende krachten ondervindt van zowel het lagere, het dierlijke, als het hogere. En dat maakt het nu zo’n uitdaging mens te zijn. De polariteit binnen ons wezen, het lagere aardse, het passieve, dat lijnrecht staat tegenover het hogere, geestelijke, actieve, geeft ons denken en doen zo’n dynamisch karakter. Maar in het algemeen is de kracht omlaag, naar de stof, het verlangen naar bevrediging van dierlijke verlangens groter dan die aspiratie naar geestelijke ervaring.
     Het vraagt wat mentale gymnastiek, maar we kunnen dit verklaren doordat wij evolutionair gezien de ontwikkeling van het dierlijke aspect van het menszijn hebben voltooid en bezig zijn met de vergeestelijkende kant van evolutio­naire cyclus.
     Om dat te verduidelijken kunnen we ons voorstellen dat de mens een lange, lange cyclische reis van zeven ronden over deze aarde en langs haar onzichtbare werelden maakt. (Zie illustratie) Het voert hier te ver om het in al zijn details te bespreken, maar heel kort en simpel omschreven begint de evolutie van al wat leeft in de hoogste, meest etherische geestelijke wereld, bol A (die voor ons onzichtbaar is). Dan daalt het leven gedurende miljoenen jaren langzaam af via bol B en C naar bol D, onze zichtbare aarde.
     Voordat het leven zich verplaatst naar een lagere of hogere bol, zal het zeven keer een ronde hebben gemaakt op zo’n bol en elke ronde beslaat vele honderden miljoenen jaren.
     De eerdergenoemde bollen zijn voor ons onzichtbaar omdat ze op een hoger, of laten we zeggen fijner trillingsgebied liggen. Volgens de hindoe-chronologie bevinden wij ons net voorbij het middelpunt van de vierde ronde op de meest materiële bol en zijn met veel moeite en inspanning bezig op te klimmen langs de opgaande boog. Over miljoenen jaren zullen we de meer etherische en spirituele bollen E en F bereiken en eindigen op de meest geestelijke bol G. Dan kunnen we eindelijk zeggen dat we weer Thuis zijn.

De levensfasen

Elke zeven jaar wordt er in de mens een nieuw element actief, als het ware geboren. Net zoals die bollen die uit elkaar voort­komen, zichzelf voortbrengen. Niet plotseling maar geleidelijk staat er steeds weer een ‘nieuwe’ mens op. De eerste helft van ons leven is gewijd aan de lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling. De eerste zeven jaren worden in tamelijk onbewuste staat doorgebracht, alle zorg richt zich op de ontwikkeling van het lichaam.
     Volgens de occulte leer zijn kinderen onder de zeven jaar niet karmisch verantwoordelijk. Pas rond of na het zevende levensjaar wordt het manasische element, het bewust denkende element, geboren. In de hersenen worden rond die leeftijd belangrijke verbindingen gelegd, o.a. tussen de oogzenuwen en het brein. De eerste belangrijke cyclus wordt dan afgesloten. De katholieken laten de kinderen dan hun Heilige Communie doen.
     In de pubertijd wordt de mens geslachtsrijp. Het kind, niet langer een kind, moet nu een omslag gaan maken in zijn psychische ontwikkeling. Het moet zich nu meer gaan richten op het zorgen voor in plaats verzorgd te worden. Het moet nog meer zelf gaan nadenken en verantwoordelijkheid nemen, de individualiteit gaat luider spreken. Rond het eenentwintigste jaar — de vierde cyclus gaat dan beginnen — worden belangrijke verbindingen in het skelet gevormd. De sleutelbeenderen groeien vast aan de schouderbladen.
     De opbouw van het skelet gaat nog door tot rond het veertigste levensjaar, waarna het stopt en langzaam ontkalkt. Hierbij is het misschien waard op te merken dat kalk in de alchemie en de occulte wetenschappen algemeen wordt beschouwd als een aards element, iets wat bij de aarde hoort, stoffelijk, materieel. Het draagt dus het leven, letterlijk. Misschien zou je aan die ontkalking kunnen zien dat het lichaam etherischer gaat worden en geleidelijk aan zijn ‘jas’ af gaat leggen. De menopauze is eveneens een belangrijk omslagpunt. De cirkel is rond als we bejaard worden en velen van ons terugkeren naar de ‘kindertijd’.
     Maar behalve de lichamelijke kenmerken die de levensfasen begeleiden, zien we ook een groei op psychisch en geestelijk gebied. Een man of vrouw van na de vijftig, zal meer behoefte gaan voelen aan activiteiten die bij die leeftijd passen. Bovendien zullen ouderen ook gematigder zijn in hun oordeel en liefdevoller.
     Het mag duidelijk zijn, de mens is veel meer dan een stoffelijk lichaam; hij of zij is een constellatie of een samengestelde eenheid die bij elkaar wordt gehouden door een uniek stel krachten, waar doorheen voortdurend de goddelijke kracht stroomt. Die subtiele onzichtbare Kracht die we gebruiken om ons Zelf tot expressie te brengen en ervaring op te doen. Het klinkt paradoxaal maar hoe meer we diezelfde Kracht gebruiken om het welzijn van de wereld te dienen, hoe sterker die zich zal manifesteren. Daarmee vormen we uiteindelijk het ‘touw’ dat uit de goddelijke werelden voor ons klaar hangt. Met dat ‘touw’ kunnen we uit dit ondermaanse tranendal opklimmen, de goddelijke wereld van harmonie en wijsheid tegemoet. Zo zijn we uiteindelijk onze eigen verlosser.

 

1 Isis Unveiled, deel 1, blz. 478 e.v.
2 Anomalies in Geology: Physical, chemical, biological. Compiled by William R. Corliss, isbn 0-915554-23-2, blz. 60-71.
3 Beginselen van de Esoterische Filosofie, hfdst 2.

Door Fred A. Pruyn, oktober 2005