Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

De geheugenkunst

Het papier is een mooie en waardevolle geheugensteun. Toch zag het er even naar uit dat de uitvinding van het schrift een vroege dood zou zijn gestorven. Om die belangrijke dag in de geschiedenis nog eens in de herinnering terug te roepen, moeten we naar het oude Egypte. Om preciezer te zijn, naar de elfde dynastie, zo’n 200 v.Chr., toen koning Thamus regerend vorst was. De anekdote draait om een zekere god Theuth. Deze Theuth was, ofschoon zijn naam dat doet vermoeden, beslist niet dronken, nee hij was buitengewoon nuchter en deed dan ook in het Egypte van koning Thamus voortreffelijk onderzoekswerk.

D
e Nobelprijs bestond nog niet, anders had hij die beslist ontvangen, ter compensatie werd aan hem een vogel gewijd, de Ibis. Men zegt dat hij de uitvinder van de geometrie, de astronomie, de getallen en het rekenen was. Bovendien zouden ook het dam- en dobbelspel én het schrift aan zijn ingenieuze brein ontsproten zijn. Het is duidelijk dat deze god een zeer bekwaam en veelzijdig god was.
     Hij wist dat zelf blijkbaar ook, want hij richtte zich op een goede dag tot koning Thamus en vertelde hem dat hij vond dat al zijn kundigheden ook aan de Egyptenaren moesten worden medegedeeld. De koning vroeg hem naar het nut van al die dingen en terwijl Theuth het de koning uitlegde, drukte laatstgenoemde al of niet zijn goedkeuring uit. Maar toen ze bij het schrift aangekomen waren, zei Theuth: ‘Hier, grote vorst, is een vaardigheid die de Egyptenaren verstandiger zal maken en die hun geheugen zal verbeteren: mijn uitvinding is een toverdrank voor geheugen en verstand.’ Maar hier had de koning toch wel bedenkingen tegen, wellicht ook om politieke redenen maar dat vertelt de geschiedenis niet. De koning zei: Kunstvaardige Theuth, de ene mens is het gegeven de kunsten in het leven te roepen, de andere om uit te maken in hoeverre ze nuttig of schadelijk voor hen zullen zijn die ze zullen aanwenden. Zo is het ook met u: u bent de vader van het schrift, en in uw vaderlijke genegenheid schrijft u uw kind een kracht toe die het tegendeel is van wat het werkelijk vermag. Want uw uitvinding zal in de ziel van hen die haar leren, vergetelheid doen ontstaan, doordat ze zullen verwaarlozen hun geheugen te oefenen. Door hun vertrouwen in het schrift, zullen ze immers het middel om zich iets te herinneren buiten zichzelf gaan zoeken, in vreemde lettertekens, in plaats van in zichzelf, door zelf hun geheugen in werking te stellen. En zo is uw uitvinding een toverdrank, niet voor het geheugen, maar voor een vaag zich-te-binnen-brengen. Van de wijsheid biedt gij uw leerlingen de schijn, niet de werkelijkheid: veel-belezenen kunt ge van hun maken, maar hun lezing zonder lering zal alleen tot gevolg hebben, dat ze veelweters zullen lijken, terwijl ze, negen op de tien, onwetenden zullen zijn ... en daarbij nog lastig in de omgang: want in plaats van wijzen, zijn ze waanwijzen geworden. ...
     Uiteindelijk zou het niet zo’n vaart lopen. Nee, gebrek aan papier of liever gezegd papyrus, dwong de mens voor het gewone aantekenwerk gebruik te maken van weinig duurzame notitiesteentjes. Met behulp van steen en was kon men een klein verhaaltje schrijven. En als de tekst dan af was, was die inderdaad ook van was. Maar ja, veel kon er niet opgetekend worden, dus moest er toch nog veel uit het hoofd worden geleerd. Voor redenaars, politici en filosofen in de tijd van de oude Grieken was het scherpen van het geheugen een must en tevens één van de modieuze gebruiken om goed voor de dag te komen. Men dwong respect af wanneer men over een goed geheugen beschikte. Toch is dat niet alleen toen het geval geweest. Ook nu dwingt men nog respect af met een goed geheugen. Alsof het iets magisch is. Wellicht is het een herkenning van een eigen zwakte die ons met ontzag vervult wanneer we getuige zijn van een knappe demonstratie. Maar hoe zit het eigenlijk met het geheugen. Is een sterk geheugen erfelijk bepaald, zoals met een bril? Is een krachtig geheugen een kwestie van erfelijkheid en opvoeding, of speelt eigen inspanning ook een rol, een ontwikkeling die zelf kan worden bevorderd?
     Het geheugen van de mens is een fascinerend maar zeker niet opvallend vermogen. Het werkt op basis van hersenactiveit zoveel weten we wel, maar zo enorm anders dan het optillen van een stoel, of het kiezen tussen twee dingen. Het is aan de ene kant ongrijpbaar en aan de andere kant volledig onder controle te krijgen. Net zo typisch is het dat het zelden wordt genoemd in combinatie met filosofie of ethiek. Toch kan het een enorme kracht ten goede zijn. Het is ook opmerkelijk dat iedereen een eigen mening heeft over wat een goed of slecht geheugen, terwijl het toch moeilijk in cijfers valt uit te drukken.
     Het is frappant dat er zoveel overeenkomsten bestaan tussen moderne computers en de systematiek van de renaissancistische geheugenkunst. Men is het er over eens dat computers het beste werken als alle programma’s en bestanden systematisch zijn geordend en het geheugen niet versnipperd en chaotisch verspreid raakt. Een keurig bijgehouden geheugen van een computer levert een exponentieel grotere efficintie op. We zullen zien dat het bij de mens vrijwel net zo gaat.
     De ouden waren met deze principes al bekend en borduurden daar graag op voort. Bovendien begrepen zij meer van ons bewustzijn, dan menig automatiseerder doet. Zo wisten de oude Grieken al dat de mens meer presteert als hij enthousiast is voor een bepaalde zaak. Enthousiasme roept een sterke wilskracht in het leven en nog heel veel meer. Dit gegeven bracht men ertoe om bij de toenmalige curssussen geheugentraining de student meer te leren dan het simpele stampwerk zoals we dat vandaag de dag nog kennen.
     Maar laten we voor de goede terugkeren naar de wortels van de geheugenkunst. En zien waarom en hoe de verschillende theorien tot stand kwamen.
     Voor zover ik mij kan herinneren moet het Simonides van Keos zijn geweest die de geheugenkunst heeft uitgevonden. Hij wordt door Cicero en Quintillianus en anderen als zodanig genoemd. Door een gunstige speling van het lot ontsnapte deze Simonides, die als dichter en bard zijn brood verdiende, aan de dood, wat hem ertoe bracht zijn inzichten over de ontwikkeling van het geheugen, bekend te maken aan een breder publiek. De ware toedracht moet als volgt zijn gegaan: tijdens een feestmaal van de edelman Scopas uit Thessalië droeg deze Simonides van Keos ter ere van zijn gastheer een lyrisch gedicht voor. Helaas, dat gedicht ging niet uitsluitend over Scopas, zoals eigenlijk wel te doen gebruikelijk was. Er was ook sprake van een passage, waarin de goden Castor en Pollux werden geprezen. De gastheer werd geraakt in zijn trots en was duidelijk ontstemd. Nogal verbolgen over zijn gedeelde eer, gaf hij de dichter slechts de helft van het afgesproken bedrag voor de lofrede. De rest moest hij maar bij Castor en Pollux gaan halen, aangezien de andere helft van het gedicht aan hen was gewijd. Prompt werd de arme Simonides naar buiten ontboden, omdat twee mannen naar hem zouden hebben gevraagd. Hij ging naar buiten, maar trof daar niemand. Tijdens zijn afwezigheid echter stortte het plafond van de feestzaal naar beneden en verpletterde alle aanwezigen. Een nare bijkomstigheid was dat vele gasten niet offcieel als bezoeker stonden geregistreerd en dat identificatie van de lijken noodzakelijk bleek. De ramp werd zo nog groter toen men zag dat de slachtoffers zodanig waren verminkt dat identificatie onmogelijk bleek. Simonides echter bracht uitkomst. Doordat hij de zaal met zijn vele symmetrisch en harmonisch opgestelde zuilen en beelden fotografisch in zijn brein had opgenomen, wist hij exact te vertellen wie waar aan tafel had gezeten.
     Castor en Pollux hadden Simonides vorstelijk beloond door hem weg te roepen. Simonides wist als professioneel artiest, dat een ordelijke rangschikking van geheugenbeelden van groot belang is om iets te kunnen herinneren. Hij zou door de klassieke Grieken als de uitvinder van de geheugenkunst de geschiedenisboeken ingaan.
     Wat waren nu de theorien en principes van Simonides die door de groten der oudheid, als Cicero, Plinius en Quintillianus werden overgenomen?
     Om met de belangrijkste te beginnen moet men gedisciplineerd omgaan met zijn gedachtewereld. Verder moet men eraan wennen, dat er twee soorten geheugens zijn. En natuurlijk geheugen waarin alle dagelijkse dingen worden opgeslagen en wat regelmatig leegraakt door vergeten. En een kunstmatig geheugen, althans zo wordt het door de ouden genoemd. Hier gaat het om bij het beoefenen van de klassieke geheugenkunst. In dit denkbeeldige geheugen wordt de beoefenaar geacht speciale ruimten te creren waarin hij de te onthouden onderwerpen verpakt in levendige associaties. De grieken ontwierpen zo in hun brein complete gebouwen met beeldengalerijen en deponeerden achter elke zuil of op ieder beeld een bepaald onderwerp. De gedachtenbeelden die ze ontwierpen, moesten aan allerlei eisen voldoen. Ze mochten alles voorstellen zolang ze maar niet alledaags waren. Bovendien moesten de beelden iets in de emoties losmaken, ze moeten aandoenlijk zijn. Hilarisch, bespottelijk, het maakte niet uit, als het maar niet alledaags was, want alledaagse dingen zijn saai en kunnen het bewustzijn niet prikkelen. Wat dit betreft is het opvallend, dat onderzoek aan het licht heeft gebracht dat een dergelijke inspanning leidt tot een activiteit van de hersenen in zijn geheel, terwijl de moderne stampmethode slechts een klein duidelijk aanwijsbaar deeltje van de hersenen tot enige activiteit wist te brengen. Het lijkt dus dat onthouden met emotie een ruimer gebied van de mens bestrijkt dan koud en gevoelloos zaken eindeloos herhalen...
     Tenslotte moet de beoefenaar bereid zijn regelmatig naar zijn luchtkasteel terug te keren en al zijn beelden nog eens denkbeeldig langs te gaan. Hoe meer en hoe levendiger associaties bij het te onthouden onderwerp gemaakt kunnen worden des te beter. Ook hier zien we een goede verklaring waarom Katherine Tingley het bevorderen van het voorstellingsen inbeeldingsvermogen een goede zaak vond.
     De sleutel tot de ontwikkeling van de krachtig geheugen is het vinden van een systeem en het ordelijk verbinden van opvallende beelden in associatieve vormen.
     In het zeer lezenswaardige boek De geheugenkunst van Francis Yates lezen we dat geheugentraining niet alleen maar werd beoefend omdat papier een schaars goed was maar ook om de weg naar de waarheid te vinden. In het geval van Thomas van Aquino en Giordano Bruno is er duidelijk sprake van een herleving van het neo-platonisme en hermetisme. Vooral Giordano Bruno werd gegrepen door de geheugenkunst, zoals die door Cicero en dus door Simonides werd aanbevolen.
     De eerdergenoemde schrijfster durft zelfs zo ver te gaan door te stellen dat Giordano Bruno, die het grootste deel van zijn leven buiten Itali voortvluchtig was om aan de greep van de Inquisitie te ontkomen, uiteindelijk in de val liep en naar Itali terugkeerde op verzoek van een zekere Mocenigo die geïnteresseerd zei te zijn in publicaties van hem over de geheugenkunst. Na alle informatie van Bruno te hebben ontvangen leverde deze infame man hem uit aan de Inquisitie.
     De ongelukkige Bruno was dus niet zomaar geïnteresseerd in de Geheugenkunst.
     Hij dacht door die tot perfectie te brengen de eenheid met het Al te kunnen ervaren zoals beschreven in de Pymander van Hermes Trismegistus.

‘Omdat de ideeën de voornaamste vormen van dingen zijn, waarnaar alles is gevormd ... zouden we in onszelf de schaduwen van ideeën moeten vormen ... zodat ze in alle mogelijke formaties gebruikt kunnen worden. We vormen hen in ons, net als dat bij de omwenteling van wielen gebeurt. Ken je een andere manier, probeer die dan.’

— Op. Lat. II (i), p. 9.

In de la Causa schrijft Bruno dat de eenheid van het Al in het ene een uiterst solide basis is voor de waarheden en geheimen van de natuur. Want je moet weten dat het een en dezelfde ladder is waarlangs de natuur afdaalt om de dingen voort te brengen en waarlangs het intellect opklimt naar de kennis ervan; en dat zowel het een als het ander uit eenheid voortkomt en naar eenheid terugkeert; waarbij ze door de veelheid van dingen in het midden heengaan. Pure theosofie zou je zeggen. Een prachtige weergave van het idee van cyclussen in de natuur.
     Tot in het begin van deze eeuw hebben we kunnen zien hoe monniken hun best deden om religieuze teksten te memoriseren. Een krachtig geheugen werd noodzakelijk geacht om een spirituele weg te kunnen bewandelen. Mevrouw Blavatsky heeft eens geschreven, dat de Stem van de Stilte, dat slechts een fragment is van een veel groter esoterisch werk, op de lijst stond van verplichte literatuur voor de leerling op het Pad. Niet om slechts gelezen te worden, maar om volledig in het brein opgeslagen te worden. Waarschijnlijk niet geheel zonder trots maakte mevrouw Blavatsky er dan ook melding van dat zij de Stem in haar hart had gesloten en dat werk volledig uit haar hoofd kende. Maar zoals gezegd zijn er ook mystici die voor hun geheugentraining ingenieuze bouwsels creerden, omdat ze met behulp daarvan een betere eenwording met het Ene dachten te kunnen bereiken.
     We zien dus dat de geheugenkunst uit het oude Griekenland afkomstig zou zijn. Maar zoals het bij veel vondsten uit de klassieke oudheid gaat, denkt de weten­schap­pelijke wereld dan ook dat daar de wortels van onze beschaving liggen. Het laatste woord is daar nog niet over gezegd.
     Maar vast staat wel dat de geheugenkunst een officieel vak werd in de school van de retorica. Het is een vak waar wel eens met een scheef oog naar gekeken wordt. Men ziet dan voor het geestesoog twistende mannen die elkaar met vlijmscherpe woorden van elkaars gelijk trachten te overtuigen. Men moet echter wel beseffen dat in Plato’s tijd de retorica als een groots redenaarsgoed gold. Het was een welhaast religieus vak om het volk deelgenoot te maken van de waarheid. Men diende retorisch geoefend te zijn om het occulte aspect van de waarheid aan belangstellenden over te kunnen dragen. En zonder een goed geheugen bleef men nergens. Zo zou de geheugenkunst een plaats in de wereld hebben gekregen.
     De geschiedenis kent vele mensen die opvielen door een fabuleus geheugen. In het oude Griekenland waren vele filosofen die daar als ware yogi’s fantastische staaltjes van te zien gaven. Maar waarschijnlijk is de wereld vol van die mensen die geen moeite hebben met het onthouden van alles wat hun zintuigen registreren.
     De Theoso­fische geschriften leren ons dat alles wat het breingeheugen vasthoudt na afloop van dit aardse avontuur verloren gaat. Slechts het aroma van de geestelijke ervaringen wordt meegenomen.
     De grote uitzondering hierop vormen de adepten die weinig problemen hebben met het bewust overgaan in een andere incarnatie. Toch zegt mevrouw Blavatsky dat niet alle adepten hun geheugen behouden. De lagere graden alleen als dat wenselijk wordt geacht voor de voortgang van hun studie die door onvoorziene omstandigheden moest worden afgebroken. De hogere graden van adepten kunnen hun geheugen meenemen al naar gelang ze dat zelf wensen.
     Zo kunnen we zien dat hoger in de hiërarchie van de grote broederschap het niet altijd op prijs wordt gesteld om over een oud geheugen te beschikken. Blijkbaar is het niet zondermeer wenselijk altijd maar alles te onthouden en mee te dragen alhoewel nergens gezegd wordt dat een groter geheugen werkelijk zwaarder is om te dragen.
     Door een esoterische bril bezien, straalt de aura van logica hier wel helder doorheen. Want het is duidelijk, dat we ervaringen moeten kunnen assimileren in hun juiste verhouding. De indrukken die de ziel ontvangt zijn ontelbaar en vooral de diepe indrukken die het lijden veroorzaken, willen nog wel eens zo diep zijn, dat de eigenaar makkelijk erin wegvalt en de vaste grond niet meer onder zijn geestelijke voeten kan voelen.
     Zijn we ook niet beter in staat ons pad te vervolgen als we niet meer worden herinnerd aan die ellendige misslagen en illusies waar we bijkans onze nek over hebben gebroken? Nee, in veel opzichten lijkt me een zwak geheugen een zegen en een sterk vermogen tot vergeten de oplossing.
     Toch heeft de geheugenkunst ook veel positieve aspecten, en één daarvan is dan wel dat het zelfvertrouwen van de beoefenaar zal gaan groeien. Daarmee is niet gezegd, dat een zuiver hart en puur mededogen niet hetzelfde zouden kunnen bereiken.
     De mensen die veel met een computer werken zullen beamen dat leren vertrouwen op het geheugen veel meer oplevert dan financieel gewin. Het lijkt een paradox en het is ook wel enigszins lachwekkend, maar door te werken met een computer wordt met schade en schande geleerd op een sterker geheugen te vertrouwen. De innerlijke kracht zal sterker worden. Zij die blijven leunen op aantekeningen en notities zullen niet voorbij een bepaalde grens kunnen komen.
     Op ons innerlijk leren vertrouwen zie ik als een grote overwinning. Zo moet ik weer denken aan dat vrolijke duo; die god Theuth en koning Thamon:
     ’Van de wijsheid biedt gij uw leerlingen de schijn, niet de werkelijkheid; veel-belezenen kunt ge van hun maken, maar hun lezing zonder lering zal alleen tot gevolg hebben, dat ze betweters zullen lijken en nog lastig in de omgang ook.’

Door Fred A. Pruyn, oktober 2005