(Mis)bruik van hypnose
Hypnose groeit in populariteit als toepassing in therapieën. Steeds meer mensen zien het als een fantastisch middel om pijnloos van problemen af te komen. Of het nu gaat om angsten, kwalen, een pijnlijke bevalling of gewoon onzekerheid. Een groeiend aantal psychotherapeuten ‘verkoopt’ de hypnotherapie vanwege de succesvolle resultaten. Een aantal citaten uit de Theosofische literatuur laat de andere kant van deze blinkende medaille zien. Van groot belang voor een ieder die overweegt de stap naar hypnose te doen. Bovendien treft u onder deze link een artikel aan uit de Volkskrant van 3 oktober 2005 waaruit de nauwe verbondenheid van hypnotherapeuten met hun patiënten voor voren komt. Maar eerst een aantal citaten uit de Theosofische literatuur.
| ‘H |
kan een mens bewegen, de ogen
openen, rondlopen, gewoonlijk met een geesteloze, lege en vaak dwaze
uitdrukking op het gezicht, zoals iemand die droomt, maar met ogen die
niet zien en toch verkeerd
zien en met oren die niet horen en toch in zekere zin wel horen. Strikt
gesproken is hypnose een vorm van trance. Iemand die is gehypnotiseerd
is voor negentig procent of meer verstandelijk onbewust van wat er om
hem heen gebeurt. Hij is fysiek in trance en tot bepaalde hoogte mentaal
niet bewust op dit gebied. Bovendien kan iemand zichzelf in deze toestand
brengen. Het leidt niet tot iets goeds en vaak zijn de gevolgen beslist
schadelijk voor de lichamelijke en mentale gezondheid en stabiliteit,
maar het is mogelijk.Dit is niets anders dan hypnose. Maar onder dit ene populaire woord ‘hypnose’ worden ten onrechte andere dingen ondergebracht die ervan gescheiden zouden moeten blijven als we een zorgvuldig onderscheid willen maken en ze wetenschappelijk willen bestuderen: fascinatie, suggestie, waaronder autosuggestie, mentaal magnetisme, de verschillende vormen van psychische aantrekking en afstoting, enz. Hypnotisme per se, waaronder zelfhypnose, kan in het Engels het best worden aangeduid met het woord Braidisme, omdat het voor het eerst werd onderzocht en bestudeerd door Braid, een Engelse arts.
Vanuit een ander standpunt is hypnose per se een toestand van slaap of verdoving van de zenuwen in het lichaam; de zenuwen en de zenuwknopen zijn tijdelijk praktisch dood. Die toestand ontstaat omdat de hogere triade van een normaal mens, die al het beste, mooiste en edelste in een mens omvat, uit het lagere viertal is verdreven; en u ziet dan wat er van een mens wordt als hij niet langer door de hogere triade wordt bezield. Een gehypnotiseerd mens is daarom een niet-bezield mens, en ik gebruik het woord ‘ziel’ in de gewone, gangbare betekenis van het woord. Het hogere deel van de mens is tijdelijk afwezig, verdreven uit het lagere en daarom ziet men dan van een mens slechts de functies van het lagere viertal of de lagere delen van de menselijke zevenvoudige constitutie.
Ik kom nu tot de vraag of het ethisch of onethisch is anderen te hypnotiseren — en ik gebruik hier het woord ‘hypnotisme’ in zijn populaire betekenis, waar ten onrechte de verschillende vormen van psychologische kracht, waarop ik de aandacht al heb gevestigd, toe worden gerekend. Laten we het eerst hebben over suggestie of autosuggestie. Suggestie wil zeggen in de geest van een ander of anderen een idee zaaien met de bedoeling het denken en het leven van die ander of die anderen door die gedachte te laten beheersen; en dit is zonder meer verkeerd, zelfs al is het motief goed, maar ‘verkeerd’ heeft natuurlijk vele gradaties. Sommige suggesties die worden ingeprent met een slechte of door en door zelfzuchtige bedoeling zijn verdorven en ronduit kwalijk. Andere suggesties ingeprent in de geest van een ander of anderen, met de bedoeling die ander of anderen te helpen, zijn slecht op grond van hun uitwerking, maar zijn voor een groot deel vrij van het stempel of stigma van morele verdorvenheid. Niemand heeft het recht, niemand is wijs genoeg in onze eeuw van materialistische idealen en ideeën om suggestie in de praktijk toe te passen met de opzettelijke bedoeling het denken of het leven van een ander te beheersen.
Suggestie is de poging, vaak succesvol, de eigen wil en het eigen denken de plaats te laten innemen van de wil en het denken van de zwakkere, de proefpersoon. Daarom is het verkeerd, en wat belangrijker is, het tast de structuur aan van de eigen morele kracht, vergiftigt de bron waaruit de innerlijke leiding voortkomt en verzwakt op die manier de beschermende kracht van zijn eigen wil. Autosuggestie, wat wil zeggen op zichzelf toegepaste suggestie, kan verkeerd zijn als het een aansporing betekent slecht te zijn of te handelen, gemeen, wreed te zijn, oneerlijk te zijn, enz.; met andere woorden, het pad van de linkerhand te volgen. Autosuggestie is echter altijd goed en zou voortdurend door ons moeten worden beoefend, als het slechts betekent dat we ons voortdurend, dag en nacht, een beeld voor ogen houden van geestelijke, morele en intellectuele kracht, zelfbeheersing en verbetering — dingen die mooi, eervol, heilig, zuiver, menslievend, vriendelijk zijn; kortom, alle grote en edele deugden. Die moeten we ons voor ogen houden als een weg om te volgen in ons denken en gedrag. Autosuggestie in deze zin is goed omdat het eenvoudig betekent het onderrichten van onszelf, het is een bepaalde soort zelfonderricht. We moeten onszelf suggereren het pad van moreel handelen te volgen; want dat wil zeggen dat we onszelf leren gewend te raken aan ethisch denken, om daarvan te houden en de ongecompliceerde grootsheid ervan te beseffen. Dit soort autosuggestie is, zoals gezegd, slechts een andere vorm van zelfonderricht.
Als suggestie op een ander wordt toegepast is ze juist en geoorloofd als de suggestie slechts betekent dat we de ander een beeld voorhouden van een gedragslijn of van iets dat moet worden gedaan, mits het door en door ethisch en verstandig is en dan tot hem zeggen, ‘Ik heb een idee. Wat denk jij daarvan?’ Dat is juist want het leert iemand iets; die suggestie bevat geen element van overheersing, noch van het ondergeschikt maken van de geest en de wil van de ander aan die van jezelf. Maar als de suggestie subtiel wordt en bedrieglijk, op slinkse wijze wordt overgebracht in de geest van de ander, en ongemerkt bij hem binnensluipt met als achterliggend motief van de uitvoerder voordeel te behalen, dan is dat inderdaad duivels werk, het werk van de duivel, diabolisch.
Telkens als een onderwijzer een kind wat leert, gebeurt dat feitelijk door suggestie, direct of indirect. Telkens als we een medemens een idee aan de hand doen, passen we op hem suggestie toe. Is de suggestie goed en gedaan uit een edel motief en met de bedoeling de ander te helpen en niet ter wille van uzelf maar uitsluitend ter wille van de ander, dan is, zelfs als uw visie op de situatie of het feit onjuist is, het motief tenminste goed; maar degene aan wie de suggestie wordt gedaan moet altijd, als hij meent dat deze goed is, met het accepteren ervan op zijn hoede en voorzichtig zijn en als hij merkt dat ze slecht is moet hij ze verfoeien en afwijzen. Op die manier wordt die verheven stem in ons die men het geweten noemt, gewekt, gestimuleerd en versterkt.
Denken theosofen dat het goed is, dat het ethisch is om mensen te hypnotiseren, en keuren ze het goed dat artsen hun patiënten onder hypnose brengen? Ik heb het, let wel, op het ogenblik over hypnotisme zoals zojuist toegelicht. Ik heb al uitgelegd wat suggestie is en wat het niet zou moeten zijn. Men kan in iemand een toestand van fysieke ongevoeligheid veroorzaken door het lichaam in trance te brengen en dat is hypnose; en het kan worden teweeggebracht op heel zwakke personen die al door een simpele suggestie onder de macht van de hypnotiseur komen. Ik heb mensen in hypnotische trance gezien; en in één geval was de persoon zo volstrekt ongevoelig voor pijn dat drie lange hoedenspelden, zoals vrouwen die vroeger gebruikten, in het bovenste deel van de arm werden gestoken; en ik zag hoe deze ongelukkige de arm omhooghield waarin deze spelden of pennen, die dwars door de spier gingen, waren gestoken. Ze had kennelijk niet meer gevoel van pijn dan een lapje stof zou tonen en er was ook geen druppel bloed te zien. Ik vond het weerzinwekkend. Er was in dit vertoon van hypnotische macht over een ongelukkige absoluut niets verheffends, niets goeds of aardigs, of iets dat aanmoediging verdiende. Ik zag alleen een armzalig mens die tot mikpunt van spotternij werd gemaakt voor de nieuwsgierige en morbide geesten die aanwezig waren.
Keuren theosofen het gebruik van hypnose in de geneeskunde goed? Mijn eigen reactie is nadrukkelijk negatief. Ik zal proberen te illustreren wat ik bedoel als ik zeg met nee te zullen antwoorden. Ziekten, lijden of pijn, menselijke ellende, morele zwakte, morele verdorvenheid of schande gevolgd door lijden en pijn, van geestelijke of andere aard — ontstaan in oorsprong alle in het denken. Uiteindelijk kunnen ze alle worden teruggevoerd op verkeerd denken, slechte gedachten die mensen ertoe brengen slechte gevoelens te koesteren, naar slechte dingen te verlangen en deze ten uitvoer te brengen, waardoor het lichaam verzwakt en door ziektekiemen wordt geïnfecteerd, om de moderne omschrijving te gebruiken. Alle ziekten ontstaan op die wijze in het denken; maar het is volstrekt onjuist om te zeggen dat, als een ziekte eenmaal in het lichaam zit, ze niet in het lichaam zit maar alleen in het denken. Dit laatste is belachelijke onzin.
Het is goed en in ieder opzicht juist om te proberen ziekten te genezen. Het is goed en in ieder opzicht juist te proberen pijn en lijden te verzachten. Maar bedenk dat, als die verlichting van een tijdelijke pijn, die op zichzelf degene die lijdt een les leert, wordt bereikt ten koste van een verstoring van zijn ziel, dan wordt het wezenlijk verkeerd en wordt het grotere opgeofferd aan het kleinere. Het lijkt misschien een ‘duistere’ en een harde uitspraak te zeggen dat een van de psychologische elementen die het westerse leven nodig heeft een beter inzicht is in onze mentale houding tegenover lijden en pijn, die het oude en wijze oosten zo goed begrijpt, en waar zo’n inzicht goede resultaten oplevert. Voor wie dit begrijpt zijn die gunstige resultaten aanzienlijk. Dit betekent echter niet in het minst dat we ongevoelig of onverschillig moeten zijn voor het lijden van anderen. Juist andersom. De lessen die we leren door lijden en pijn en de verzachting en verrijking van het karakter die daaruit voortvloeien, leren ons een edele les van mededogen en medelijden tegenover anderen. Degene die veel heeft geleden is het minst geneigd te vervallen tot een verleidelijke en volstrekt bedrieglijke houding van zelfbeklag. In plaats daarvan krijgt hij medelijden met anderen. Het is een oud ideaal een ‘diamanten hart’ te bezitten — dat hard en onbuigzaam is als diamant tegenover de eigen zwakheden, wensen en verlangens en het eigen lijden; maar net als een diamant weerkaatst het elk aspect van het lijden of verdriet of de pijn van anderen in flitsen van licht.
Bedenk tot slot dat hypnose wordt teweeggebracht door het hogere deel, het betere deel van de mens uit het lagere viertal van zijn constitutie te verdrijven, zodat de persoon daarna in een toestand verkeert die we een waakslaap kunnen noemen, d.w.z. in een trance; en hij is daarom wezenloos, tijdelijk niet bezield. Bovendien, als psychische beïnvloeding of suggestie gebeurt uit een slecht motief, betekent dat het leggen van actieve gedachtezaden in het denken van het slachtoffer zodat die zich als klitten vastzetten aan het psychische orgaan van degene die ze ontvangt. Het slachtoffer dat dus wordt beheerst door gedachten en ideeën die niet van hem zijn, is niet langer volledig zelfbewust, beheerst niet langer zijn eigen leven, groeit niet langer in karakterkracht en in het vermogen morele beslissingen te nemen; iedere keer dat de suggestie wordt herhaald, wordt hij meer en meer de slaaf van een wil buiten hem. Vandaar dat zo’n psychische beïnvloeding of suggestie tenslotte ook leidt tot het uitbannen van de ziel van het slachtoffer, of een betere term is misschien het ontwrichten van zijn ziel; het gevolg is dat ze niet langer normaal of krachtig functioneert. Ook dit is een geval waarin het slachtoffer, door de opzettelijke daad van de man die psychische beïnvloeding of suggestie toepast, ontzield raakt, tijdelijk op zijn minst ‘zielloos’ is en hij kan daarom, volgens alle regels van ethiek en rechtvaardigheid, niet langer worden geacht moreel of mentaal volledig verantwoordelijk te zijn voor wat hij denkt of doet. Hij is slechts een psychische machine in die zin dat hij wordt beheerst door een kracht buiten hem.
— Dr. G. de Purucker, Aspecten van de Occulte Filosofie, 403-13
De
hele hoeveelheid details van een leven wordt bewaard in de innerlijke
mens om eens weer geheel in de bewuste herinnering te worden teruggeroepen
in een ander leven, wanneer we vervolmaakt zullen zijn. En zelfs nu,
hoe onvolmaakt we ook zijn en hoe weinig we ook weten, tonen proeven
met hypnose ons dat de kleinste details worden vastgelegd in wat nu
bekendstaat als de onderbewuste geest. Volgens de Theosofische leer
wordt geen enkele van die gebeurtenissen werkelijk vergeten en aan het
einde van het leven, wanneer de ogen worden gesloten en de mensen om
ons heen zeggen dat we zijn gestorven, flitst elke gedachte en omstandigheid
van het leven helder in en door onze geest.
— W.Q. Judge, De Oceaan van Theosofie, hfdst 9
Even ongepast is de manier waarop wetenschappelijke
instituten, zonder aandacht te schenken aan de ware menselijke natuur,
zich overgeven aan proeven met hypnose, waarbij de slachtoffers voor hun
leven worden beschadigd en worden gedwongen eerloos gedrag te vertonen
en dingen te doen voor het genoegen van de onderzoekers, die mannen en
vrouwen onder normale omstandigheden nooit zouden doen. De loge van de
meesters geeft niets om de wetenschap, tenzij deze zich ten doel stelt
zowel de ethische als de stoffelijke omstandigheden van de mensheid te
verbeteren, en aan de wetenschap zal geen hulp worden verleend, tenzij
deze de mens en het leven zowel ethisch als geestelijk gaat bezien. Daarom
zijn zij die alles weten over de psychische wereld, haar bewoners en haar
wetten, bezig met een hervorming van ethiek en filosofie, voordat meer
aandacht wordt geschonken aan de vreemde en verleidelijke verschijnselen
die binnen het bereik van de innerlijke vermogens van de mens liggen.
— W.Q. Judge, De Oceaan van Theosofie, hfdst 17
Vraag: Kunt u me zeggen waar het kristalkijken
op berust? Waarom is een KRISTAL nodig om in het astrale licht te kunnen
zien?
De enige reden dat de bol van kristal is en enig
effect heeft is dat hij licht kan vergaren en naar de ogen kan uitstralen.
Als de bol van hout of steen en dof was, zou hij geen uitwerking hebben.
Maar het is bij medici tegenwoordig bekend — en is dat over de hele
wereld sinds onheuglijke tijden — dat als men zich in een passieve
toestand wil brengen, de dolende, onbeteugelde, rusteloze dagelijkse gedachten
van het brein tot rust wil brengen, en de emoties wil kalmeren, men naar
licht moet kijken, zelfs al is het maar een lichtvlek op de muur of de
weerschijn van een ring aan de vinger of een kristallen bol of een helder
brandende kaars. Vooral bij zogenaamde sensitieven zal elke lichtvlek,
als men er lang genoeg naar staart, verlies van individualiteit en van
het ik-bewustzijn van de staarder met zich brengen en een negatieve ‘halfaanwezige’
droomtoestand veroorzaken die leidt tot slaap, halfslaap, autohypnose,
zelfhypnose. Waarom? Omdat als de ogen naar een lichtvlek kijken en blijven
staren, ze de boodschap van die standvastige, doorgaande, niet ophoudende,
niet veranderende trilling naar de hersenen overbrengen. En de hersenen
worden inactief omdat ze worden verdoofd; ze worden ongevoelig gemaakt
en suf. Als de glaskijker of lichtkijker mediamiek is, sensitief, en als
de hersenen zijn stilgelegd en de ogen de lichttrillingen opnemen, worden
bepaalde zintuigen die tot het psychische deel van een mens behoren bevrijd
en zal de stem spreken, soms waarheid spreken maar vaak niet, afhankelijk
van de toestand van volledige of gedeeltelijke ontvankelijkheid.
Met al deze dingen zijn medici en psychologen nu goed bekend.
Maar het is heel slecht om ze na te volgen. Men wordt er minder door dan
men was. En men bereikt er geen echte intuïtie, geen waarachtig inzicht,
geen echte helderziendheid mee, die vanboven komt en altijd kan functioneren
zodra men zijn geest omhoogricht. Daarnaar moeten we streven. Daarmee
wordt een mens tienmaal wat hij in het gewone leven was of is.
Dat is de oorzaak van de werking van het kristal of de kaarsvlam
of de lichtplek van een ring — alles wat een lichtpunt veroorzaakt.
Het betekent eenvoudig dat men een slaperige, afstompende, ongevoelige
toestand van de hersenen en de zenuwen tot stand brengt. En wordt dat
te lang voortgezet dan zal de beoefenaar omlaag- in plaats van omhooggaan.
Door iemand die ik eens kende en die van die dingen een levenslange studie
had gemaakt werd het goed verklaard. Het zit zo, zei hij, dat deze kristalkijkers
en anderen eenvoudig de trillingen verminderen in hun eigen brein met
zijn individualiteit en vuur en genialiteit en alle andere eigenschappen
die de mens behoort te hebben — zij brengen eenvoudig de trillingen
in het brein terug tot de niet veranderende trillingen van het kristal
waar het licht doorheen gaat. Dit maakt het brein ongevoelig en daarom
werkt het soms. Het lijkt veel op de manier waarop een slang een vogel
of konijn hypnotiseert; of de mens een ander mens. De wil van het slachtoffer,
of die een kristalkijker is of niet — een slachtoffer van zichzelf
— verliest zijn greep op zijn hersenen en zenuwstelsel. De hersenen
en het zenuwstelsel raken synchronisch in harmonie of in synchronische
trilling met de hypnotiseur, met het licht, met het oog van de slang,
met het licht in het oog van de ander. De wil wordt uitgeschakeld, teruggetrokken
of uitgebannen.
— Dr. G. de Purucker, Aspecten van de Occulte Filosofie, 426-7
Vraag: Na onvoorwaardelijk zo’n 90% van
alle hypnotische verschijnselen en praktijken te hebben veroordeeld, is
er daarvan dan tenminste nog iets gerechtvaardigd, in de eerste plaats
in de therapie? Zulke zaken als plaatselijke verdoving door hypnose, het
voorkomen van weeën door hetzelfde middel, schijnbare genezing van kleine
psychische gebreken en slechte gewoonten. Dit wordt tegenwoordig op grote
schaal toegepast en schijnt in twee hoofdcategorieën te kunnen worden
verdeeld: (a) onder hypnose en (b) zonder de hypnotische slaap en alleen
door mentale suggestie. Mijn vraag slaat niet op magnetiseren dat natuurlijk
een grote hulp kan zijn als het wordt gedaan door weldenkende, onzelfzuchtige
mensen.
Hypnose is bijna altijd verkeerd, zelfs al zijn
er nu en dan bijzondere successen, ongeveer zoals bij bloedtransfusie.
Ze lijkt op het spelen met een gevaarlijke springstof. Ze is in beginsel
en in het algemeen slecht omdat ze de wil van de persoon die haar ondergaat
verzwakt in plaats van deze op te wekken tot handelen, van binnen naar
buiten, om zo een innerlijk leven en innerlijke kracht op te bouwen. Elke
herhaling van hypnose verslapt hem nog meer, maakt hem nog negatiever,
nog zwakker en veroorzaakt dat hij nog meer gaat steunen op dingen buiten
hem in plaats van zijn eigen innerlijke krachten op te roepen.
Nu is het natuurlijk als een abstracte theorie denkbaar,
zoals bij alles, dat een adept, een mahātma bijvoorbeeld, die de wetten
van de natuur en alle streken, eigenaardigheden en bijzonderheden van
de psychische natuur van de mens en het astraal lichaam kent, in bepaalde
minder belangrijke gevallen met gunstig gevolg van hypnose gebruikmaakt.
Maar dit is niet meer dan een theorie en ik kan u verzekeren dat geen
enkele mahātma of adept zoiets ooit zou doen, omdat het in beginsel fout
is. Zij willen de wilskracht en de innerlijke levenskracht van de mens
ontwikkelen en hypnose brengt laatstgenoemde dingen in slaap, verzwakt
ze, en vermindert de innerlijk aanwezige krachten.
Toch zou een adept, puur theoretisch gesproken, veilig gebruik
kunnen maken van hypnose.
Als het om plaatselijke handelingen gaat, zoals het strijken
met de hand over een aangetast deel van het lichaam om de pijn te verlichten,
zoals hoofdpijn, is dat natuurlijk niet zozeer een hypnotische slaap van
lichte graad, dan wel een soort mesmerisme of dierlijk magnetisme, waardoor
de zenuwen worden gekalmeerd en de wil niet wordt verzwakt, het gezonde
lichaam tot rust komt, en de geprikkelde en pijnlijke zenuwen van de patiënt
worden gekalmeerd. En dat is niet verkeerd als er, zoals gezegd, geen
poging wordt gedaan de wil van de persoon of zijn lichaam als geheel te
beïnvloeden wanneer het om iets plaatselijks gaat; in de eerste plaats
is dit geen zuiver hypnotisme, zoals dit woord gewoonlijk wordt begrepen
en in de tweede plaats is het zuiver plaatselijk en worden de gunstige
gevolgen ontleend aan het zuivere, sterke magnetisme van de beoefenaar.
In deze laatste gevallen gaat het in feite om dierlijk magnetisme en als
het dierlijke magnetisme gezond en zuiver is, wordt er vermoedelijk geen
kwaad aangericht en kan de patiënt er tijdelijk baat bij hebben, al is
het niet blijvend omdat de oorzaak niet wordt weggenomen.
Ik wil in dit verband nog zeggen dat zelfs autohypnose of
zelfhypnose, waarbij de persoon zichzelf hypnotiseert met verschillende
middelen die al eeuwenlang bekend zijn, zoals staren naar een lichtvlek
of een helder licht of een stuk kristal of glas, of zelfs zich concentreren
op de punt van de neus, of op de navel: al die dingen die zo goed bekend
zijn, zijn nadrukkelijk niet goed omdat ze erop neerkomen dat de persoon
zelf, gebruikmakend van zijn wil, zijn hogere wil omhoog stuurt, buiten
beeld, en in het lagere deel van de constitutie een valse rust of kalmte
oproept met bijna mechanische middelen. Met andere woorden, in plaats
van de zenuwen tot zuivere, heilzame, gezonde activiteit op te wekken,
waarmee de innerlijke wil kan werken, worden ze in slaap gesust, gehypnotiseerd
(wat in slaap brengen betekent), en zinken het brein en het zenuwstelsel
tot onder de drempel van het gewone bewustzijn, in de trillingsgraad van
het glas of een ander voorwerp waarnaar wordt gestaard. Het leidt tot
rust, maar het is de rust van de dood, van het delfstoffenrijk.
Al is dus zelfhypnose niet zo slecht als hypnose door anderen,
het is nadrukkelijk niet goed en wordt niet door ware adepten gebruikt
maar alleen door magiërs, sjamanen en medicijnmannen van primitieve stammen.
Juist dit vermogen geeft aan het starende niet-knipperende oog van de
slang zijn hypnotische macht over een vogel of een konijn of een muis,
wat in het algemeen biologering wordt genoemd. Het glanzende oog van de
menselijke hypnotiseur vormt door eenzelfde proces het begin van de hypnose.
Het is allemaal ongelukkig en al is het misschien in zijn betere vorm
niet echt slecht, goed is het beslist niet.
Daarom moeten al deze dingen worden vermeden. Ze zijn ongezond.
Ze verlagen het trillingsniveau tot dat van het lagere rijk in plaats
van de frequentie van het bewustzijn te verheffen tot de hogere, psychische,
verstandelijke en geestelijke gebieden.
— idem, 690-2
Een ander geval is dat van de trance, een woord
dat vaak wordt misbruikt door populaire schrijvers over zogenaamde paranormale
verschijnselen. De medische jaarboeken bewijzen dat trances even gewoon
zijn voor de mensen als zwarte bessen in het juiste seizoen. Een mens
is in een soort trancetoestand als hij verstrooid is, want zijn geest
is dan niet langer ‘aanwezig’. Een mens verkeert in een kleinere
trance wanneer hij zich niet bewust is van de omringende omstandigheden
of diep in gedachten is verzonken.
Een mens is eveneens in een trance wanneer hij dwaselijk
heeft toegestaan het slachtoffer te worden van de praktijken van een hypnotiseur;
en iedereen die mannen en vrouwen heeft gezien die in een toestand van
hypnose verkeerden, zal beseffen hoe gevaarlijk en verkeerd die praktijken
zijn.
In al deze gevallen is de oorzaak van die toestand dat het
psychomentale gestel van de mens automatisch of met geweld van zijn normale
plaats is verdrongen; en er rest alleen het levende menselijke lichaam
met zijn onvolkomen functionerende hersencellen en zenuwstelsel, waarop
tijdens het leven de karakteristieke eigenschappen van het individu zijn
afgedrukt.
— Dr. G. de Purucker, De Esoterische Traditie, blz. 554
Er is nog een soort avatārische incarnatie of
tulku, dat wil zeggen een tijdelijke stoffelijke verschijning van een
adept in het . Van bepaalde Tibetaanse lama’s is het bekend
dat ze daartoe in staat zijn en daarom zijn ze terecht tulku’s genoemd,
een soort tulku die door bepaalde oriëntalisten wordt aangeduid met ‘verschijning’.
Een ander type tulku, van een tegenovergesteld en werkelijk
slecht soort, is wat een hypnotiseur tot stand brengt, die tijdelijk de
psychische natuur van zijn in trance verkerende proefpersoon of slachtoffer
verdringt door hem te biologeren of zelfs door middel van hypnose en mesmerisme.
Dit is echter maar al te vaak een geval van zwarte magie en vol gevaar,
zowel voor de hypnotiseur als voor de in trance gebrachte persoon. Iedere
knappe hypnotiseur maakt van zijn slachtoffer in feite een tulku in de
zin van zwarte magie. Wanneer hij in het brein van zijn slachtoffer de
gedachte plaatst dat hij over een week om 3 uur ‘s middags een moord
zal plegen of een andere heel dwaze of onwaardige daad verrichten dan
maakt de hypnotiseur met zwarte magie tijdelijk een tulku van zijn slachtoffer
en iedere psycholoog en hypnotiseur onderkent de mogelijkheid van dit
feit, al kent hij de wetenschappelijke verklaring van de term misschien
niet. Spreek met hem over ‘tulku’ , en hij zal lachen omdat
hij het woord niet kent, maar het feit wel. Een treffend voorbeeld van
tulku door zwarte magie was wat de middeleeuwse Europeanen weerwolven
of menswolven noemden, en daar zit een wonderlijke geschiedenis aan vast
— het was niettemin het werk van zwarte magie.
— Dr. G. de Purucker, Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 368
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005