De Mahatma Brieven
Mijn eerste ontmoeting met De Mahatma Brieven was een beetje teleurstellend. Ik had nog maar amper kennis gemaakt met de wereld van de theosofie en zag ze in de Theosofische bibliotheek staan. Ik hoor mijzelf nog blij verrast tegen de bibliothecaresse zeggen, ‘goh wat goed zeg, dat jullie ook de brieven van Mahatma Gandhi hebben.’ Nee, zegt de dame heel vriendelijk, ‘nee hoor, dat zijn de brieven van de meesters’. Meesters?
| W |
We mogen onszelf buitengewoon gelukkig prijzen dat de brieven veilig worden bewaard en voor iedereen ter inzage liggen in The British Library. We mogen onszelf wel honderd keer zo gelukkig prijzen dat Trevor Barker de moed had deze bijzondere correspondentie te publiceren, omdat in enkele brieven de schrijvers duidelijk maken dat die absoluut niet voor publicatie bestemd waren. Sommige brieven vanwege de scherpe psychologische analyses van personen, andere door de gevaarlijke occulte informatie. Het is dus niet zonder grond dat een aantal personen de publicatie in het begin fel bekritiseerden.
Tenslotte mogen we ons zo gelukkig prijzen, dat de heren aan wie de brieven zijn geschreven, zichzelf zo hebben gedragen dat ze het waard waren ze te ontvangen. Dat ze de durf hadden en bereid waren zich ten opzichte van veel landgenoten edeler te gedragen dan menigeen nu zou doen. Het is allemaal te danken aan de oprechte belangstelling van Alfred Percy Sinnett, redacteur van een Engelse krant in India en zijn vermetelheid om HPB te vragen of er niet een meester was die met hem zou willen corresponderen.
We hebben het over de mahatma brieven, maar wat is een mahatma? Een beetje droog gedefinieerd is een mahatma een mens, die door speciale training, opleiding en groot mededogen, die hogere vermogens en eigenschappen heeft ontwikkeld en spirituele kennis heeft vergaard die de gewone mens alleen na vele incarnaties gedurende de evolutie van de kosmos zou kunnen bereiken, vooropgesteld natuurlijk, dat hij in de loop van zijn ontwikkeling niet tegen de gang van de Natuur in gaat.
Anders gezegd is een meester een mens die het Leven beheerst, die niet meer wordt verrast door de schok van de dood. Hij heeft een ijzersterke grip op zijn leven, en zodanig inzicht in de natuur dat hij onbereikbaar is voor de duizenden verleidingen, die ons gewone mensen telkens weer een doodlopende steeg injagen. Een meester van de witte broederschap heeft met nog maar één illusie te kampen, waardoor ze zoals K.H. het uitdrukt slechts nog één liefhebberij hebben, filantropie. Het is hun laatste anker dat voorkomt dat ze het nirvana inglijden en voor ons van geen waarde meer zijn. De eeuwige rust en zaligheid, die ze uit liefde voor ons, zo lang mogelijk uitstellen.
Over het meesterschap schrijft K.H.:
De adept is de zeldzame bloem van een generatie van onderzoekers;
en om er een te worden moet hij de innerlijke impulsen van zijn ziel gehoorzamen,
ongeacht de voorzichtige overwegingen van de wereldse wetenschap of van
het verstand.
— blz. 7
Verlangt iemand van u zo vurig naar kennis en de weldadige
krachten die zij schenkt, dat hij bereid is uw wereld te verlaten en de
onze te betreden? Laat hem dan komen; maar hij moet zich niet voorstellen
terug te kunnen keren voordat het zegel van de mysteriën zijn lippen
heeft verzegeld, zelfs tegen de risico’s van zijn eigen zwakheid
of indiscretie. — blz. 10
Wij allen werden . . . getoetst. . . . Maar de kroon van de
overwinnaar komt uitsluitend toe aan hem, die bewijst dat hij waardig
is haar te dragen; aan hem die zonder hulp van anderen Mara [de verleider]
aanvalt en de demon van begeerte en aardse hartstochten overwint; en niet
wij, maar hijzelf zet de kroon op zijn hoofd. — blz. 350
De meesters leiden een druk en moeilijk leven.
Uit de correspondentie blijkt dat ze vaak spitsroeden moeten lopen door
de vele regels, geboden en geloften die hun orde en het occultisme in
het algemeen stellen. Eén keer vraagt K.H. aan Sinnett vooral geen
domme dingen te doen die hem zijn rang binnen de broederschap kunnen doen
verliezen. Een positie waar hij 25 jaar lang dag en nacht voor heeft geploeterd.
En regelmatig wordt er geschreven dat het naar buiten brengen van occulte
informatie van hogerhand is gelimiteerd, tot hier en niet verder schrijft
hij dan.
Een van de eerste dingen die opvalt, is dat de meesters bijzonder
weinig zelf schrijven. Veel adepten hebben een afkeer van schrijven en
voor één van de meesters, Morya, is het zelfs het enige
dat hij werkelijk haat in zijn leven. Slechts heel heel zelden wordt door
henzelf de pen gehanteerd. De meeste brieven die zij aan Sinnett hebben
geschreven, zijn dan ook niet fysiek door hen geschreven, maar zijn langs
occulte weg tot stand gekomen, precipitatie genaamd.
Wat houdt dat proces in? De brieven worden afgedrukt door
een leerling, vaak op grote afstand van de meester, door middel van gedachtenoverbrenging,
ook wel mentale telegrafie genoemd. K.H. schrijft:
Om mentale telegrafie op een volmaakte manier en onmiddellijk te verwezenlijken zijn twee dingen nodig — een sterke concentratie bij de telegrafist en een volkomen ontvankelijke passiviteit bij het subject, de chela, in dit geval de lezer’. Bij een verstoring van een van die toestanden zal het resultaat dienovereenkomstig minder volmaakt zijn. De ‘lezer’ ziet het beeld niet zoals het in het brein van de ‘telegrafist’ is, maar zoals het in zijn eigen brein verschijnt. Als de gedachten van laatstgenoemde afdwalen, wordt de psychische stroom onderbroken en de communicatie ontwricht en is het resultaat onsamenhangend. — blz. 470
De leerling is voor dat werk speciaal getraind.
Voor de verzending van een brief moet de Mahatma de verbinding in gereedheid
brengen, hij moet de chela laten weten dat er werk te doen is en die brengt
zich dan in gereedheid en concentreert zich op zijn taak. ‘Als de
leerling gereed is’ schrijft K.H., ‘hoef ik slechts mijn gedachten
te verzamelen, gemakkelijk achterover te leunen, en te denken.’ De
chela heeft zijn handen boven het papier en het schrijfmateriaal valt
op het papier als via een etherische stroom.
Misschien zijn de bedenkers van de laserprinter op onnaspeurbare
wijze geïnspireerd door deze methodiek, want de werking van een dergelijke
printer lijkt er verdacht veel op.
Een computer bijvoorbeeld, stuurt wat op een beeldscherm
staat naar de printer. De computer zegt tegen de printer: daar en daar
moeten zwarte puntjes komen. De printer gehoorzaamt en vormt met behulp
van een sterk wisselend magnetisch veld tussen een vel papier en een bus
met koolstof, die er vlak boven hangt, een patroon van wat er op het beeldscherm
staat. Langs de magnetische lijnen worden de kleine korreltjes koolstof
op het papier neergelaten. Vervolgens gaat het papier met het losse koolstofpoeder
door een hete wals, waar het als emaille op het papier wordt vastgezet.
Ik stel me zo voor dat dit bij benadering een goede weergave zou kunnen
zijn van wat de meesters met het precipiteren van brieven bedoelen. De
meester is de computer en de leerling de printer. Het grote verschil is
wel dat computers geen wilskracht van de bediener vereisen, terwijl dat
bij het precipitatieproces wel zo is.
De precipitatiemethode blijkt voor de mahatma’s net
zo geschikt als de mobiele telefoon voor ons. We zien dan ook dat er vaak
brieven worden geschreven terwijl de mahatma’s onderweg zijn of zich
in onherbergzame gebieden bevinden waar geen mens ooit een voet heeft
gezet.
Het moet een bijzonder voorrecht zijn om met een meester
te kunnen corresponderen. Mogelijk is het een graadmeter hoe ver men innerlijk
de Broederschap is genaderd. We lezen bijvoorbeeld van het plan van K.H.
om met W. Oxley, een Engelse theosoof en schrijver van Philosophy of
Spirit, te corresponderen, maar dan wel via Sinnett, niet rechtstreeks
(blz. 498). De ‘afstand’ is dan toch net te groot om een directe
correspondentie mogelijk te maken. Misschien ligt het in het verlengde
van de strenge regel dat het de meesters niet is toegestaan met gewone
mensen te socialiseren. Zelfs een oppervlakkige kortdurende ontmoeting
met Sinnett werd K.H. door de Chohan, nogal oneerbiedig zijn chef genoemd,
verboden. En hoe ‘hautain’ het naar onze wereldse maatstaven
misschien ook mag schijnen, het wordt snel duidelijk waarom zulke strenge
regels gelden voor het contact van een mahatma met gewone mensen. K.H.
schrijft dat een meester zijn vermogens voor een deel kwijtraakt, zelfs
na een kort verblijf in de wereld. In één geval dacht hij
ongeveer een jaar nodig te hebben om de kwalijke invloeden van de samenleving
kwijt te raken (blz. 305). En is het dan onredelijk te stellen dat voor
een mahatma het verlies van vermogens hetzelfde betekent als arbeidsongeschiktheid
bij ons, wat winst betekent voor de broeders van de schaduw en verlies
voor de lijdende wereld?
Verder blijkt dat veel adepten afkerig zijn van het corresponderen
met belangstellenden doordat het delen van occulte geheimen met een ander
de eigen vooruitgang vertraagt, en zij zijn nog meer dan wij gericht op
maar één doel: bevrijding van de wereld van illusies, en
het nog effectiever helpen van de wereld als geheel. Het accepteren van
een nieuwe leerling, een chela, kent dan ook een grote prijs.
K.H. schrijft:
Misbruik van kennis door de leerling slaat altijd terug op de inwijder; ook geloof ik niet dat u al weet dat de adept, door zijn geheimen met een ander te delen, overeenkomstig een onwrikbare wet, zijn eigen vooruitgang naar de Eeuwige Rust vertraagt. . . . Talmen onderweg is niet bevorderlijk voor het snel bereiken van het doel van de reis. En het moet u duidelijk zijn, dat er voor alles en voor iedere waarheid door iemand een Prijs moet worden betaald, en in dit geval — betalen WIJ die. Wees niet bevreesd; ik ben bereid mijn deel te betalen, en heb dit gezegd tegen hen die mij de vraag stelden. [Tussen haakjes, hiermee zal hij zijn meerderen bedoelen] Ik zal u niet in de steek laten; ook zal ik mij niet minder zelfopofferend betonen dan de arme, uitgeputte sterveling, die wij kennen als de ‘Oude Dame’. . . . Ik ben er zeker van, dat als dit alles meer algemeen bekend was onder de kandidaten voor inwijding, zij niet alleen dankbaarder en geduldiger zouden zijn, maar ook minder geneigd om boos te zijn over wat zij zien als onze terughoudendheid en aarzelingen. — blz. 315
Het is dus heel goed te begrijpen waarom zo veel
adepten vóór K.H. het corresponderen met Sinnett weigerden.
We zien een Engelsman die vlees at, wijn dronk en vooral in het begin
van de correspondentie een diepe minachting voelde voor de hindoes.
K.H. woonde samen met zijn zuster, al wordt het
snel duidelijk dat hij door zijn vele reizen weinig thuis kan zijn geweest.
De eerste brief ondertekent hij met Koot’ Hoomi Lal Singh. Hij kwam
uit een brahmaanse familie uit Kashmir en was in zijn brieven altijd zachtaardig,
geduldig en vriendelijk. Eén keer schreef zijn broeder M. een beetje
plagerig: hij wordt een echte miss (juffrouw, meisje).
Meester M., Morya voluit, moet heel anders zijn geweest dan
zijn broeder K.H. Hij wordt beschreven als een Rajput-prins met een imposant
postuur van zo’n twee meter met een krachtige bouw en erg knap om
te zien, al geeft hij daar zelf weinig om. In een brief schrijft K.H.:
Zij [d.w.z. HPB] heeft van M. een Apollo van Belvedere gemaakt en de gloedvolle beschrijving van zijn lichamelijke schoonheid, heeft hem meer dan eens boos doen opvliegen en zijn pijp doen breken, waarbij hij vloekte als een echte christen.
— blz. 347
Zijn schrijfstijl valt op door de nogal korte en soms bruuske wijze van schrijven. Het was, zoals eerder gezegd, dan ook het enige dat hij werkelijk haatte in zijn leven. Over zijn leeftijd zei HPB eens dat ze die niet wist —
‘Maar dit kan ik je wel zeggen,’ zei HPB, ‘ik heb hem het eerst ontmoet toen ik twintig was — in 1851. Hij was toen in de kracht van zijn leven. Ik ben nu een oude vrouw, maar hij is nog geen dag ouder geworden’
— Blavatsky Collected Writings, 8:400
Het lezen van hun brieven is heilzaam voor de geest onder andere door de fijne en charmante humor. In één geval bedankt M. Sinnett voor de pijp die hij hem schonk op de volgende wijze:;
Zeer vriendelijke Sinnett Sahib — veel dank en salaams voor het rookapparaat. Onze verfranste en tot peling geworden Pandit zegt mij, dat het korte dingetje moet worden ‘cooloted’ — wat hij daarmee ook bedoelt — en dat zal ik dan maar gaan doen. De pijp is kort en mijn neus lang, dus zullen we het samen best kunnen vinden, hoop ik. Bedankt — veel dank.
— blz. 415
Behalve door de fijne humor geven de brieven ook
een bevrijdend gevoel doordat de mahatma’s er blijk van geven dat
ze zelden discussiëren of twisten. Door hun grote kennis en wijsheid
weten zij onmiddellijk wat de waarde van bepaalde meningen is en vinden
ze een discussie derhalve verspilde energie. Toch kunnen ze behoorlijk
van mening verschillen en elkaar soms corrigeren.
Iets anders dat opvalt is dat de ontwikkelingen binnen de
jonge Theosofische beweging en de correspondentie van K.H. met Sinnett
nauwgezet worden gevolgd en besproken door een groep mahatma’s die,
voor zover ik heb begrepen, allen hoger in rang zijn dan K.H. of M., K.H.
noemt hen de Shaberons. Hij zegt dat er velen zijn die een betere en ruimere
visie op alles hebben dan hijzelf.
We kunnen veel leren van deze brieven en een van de leerzame
ervaringen is dat voor een goed begrip van de occulte wetenschap een hoge
opleiding niet altijd verzekert van wind in de rug. vooringenomenheid
kan een muur van onbegrip vormen. Bij het volgende voorbeeld zouden veel
weerkundigen direct afhaken, nee, ze zouden van hun stoel rollen van het
lachen. U moet bij het volgende bedenken dat meteorologie als wetenschap
nog steeds onderwijst dat het ontstaan van luchtdrukgebieden en weersveranderingen
door instraling van de zon en opwarming en afkoeling van continenten geschiedt.
K.H. schrijft echter:
De wetenschap hecht te veel en tegelijk te weinig gewicht aan de ‘zonne-energie’ en zelfs aan de zon zelf; en de zon heeft helemaal niets te maken met regen en heel weinig met warmte. Ik had de indruk dat de wetenschap wist dat de ijstijden . . . worden veroorzaakt door het toeen afnemen, of liever het uitzetten van onze atmosfeer, welk uitzetten zelf weer te danken is aan dezelfde aanwezigheid van meteoorstof?
— blz. 175
Eerder in de brief schreef hij:
Men twijfelde eraan of het feit dat onze aarde door een gebied in de ruimte gaat, waarin zich meer of minder dichte massa’s meteoorstof bevinden, enig verband houdt met het toeof afnemen van de hoogte van onze atmosfeer, of zelfs met de weersgesteldheid. Maar wij menen dat we het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen; en sindsdien accepteren zij het feit dat de relatieve verdeling en verhouding van land en water op onze aardbol het gevolg kan zijn van een grote opeenhoping van meteoorstof op aarde, en sneeuw — vooral in onze noordelijke streken — is vol van meteoorijzer en magnetische deeltjes; en daar afzettingen van de laatste zelfs op de bodem van zeeën en oceanen worden gevonden, vraag ik me af waarom de wetenschap tot nu toe niet heeft begrepen dat elke atmosferische verandering en verstoring is toe te schrijven aan het gecombineerde magnetisme van de twee grote massa’s waartussen onze atmosfeer wordt samengedrukt! Ik noem deze meteoorstof een ‘massa’, want dat is het inderdaad. Hoog boven ons aardoppervlak is de lucht bezwangerd en de ruimte gevuld met magnetische of meteoorstof, die zelfs niet eens tot ons zonnestelsel behoort.
— blz. 175
Het is jammer dat er zo weinig tijd beschikbaar
is, er zijn zoveel interessante onderwerpen die aan bod zouden moeten
komen in een voordracht als deze, zoals het geworstel van Sinnett en zijn
vriend Hume om meer licht en de strijd met hun eigen belangrijke ego.
Er rest maar één advies, lees de brieven zelf, neem de TPH
editie erbij en de gecombineerde chronologie en ontdek hoeveel heroïek,
magie en mededogen in deze bladzijden zit samengeperst. Het is zo vreselijk
veel meer dan in dit armzalige aftreksel past.
Tenslotte moet ik het laatste woord geven aan de Chohan,
de meester van de meesters. Hem komt de eer toe deze spreekbeurt af te
sluiten. Zijn brief die is omgeven met mysteriën staat afgedrukt
in de Gecombineerde Chronologie van Margaret Conger en is de spreekwoordelijke
parel in de oester die zo vermoed ik door velen over het hoofd wordt gezien.
De brief is nu op vele punten sterk gedateerd, maar omdat
er zo’n krachtig beroep op het hart wordt gedaan en ondubbelzinnig
zegt waar het Theosofisch Genootschap nog steeds voor staat, wil ik deze
als richtsnoer voor ons werk graag nog met u delen.
Hij is gepubliceerd onder de titel ‘Het standpunt van
de Chohan ten aanzien van de Theosophical Society. Verscheidene goede
redenen, door de Chohan aan K.H. gegeven, waarom de T.S. een Broederschap
van de Mensheid moet zijn’.
Willen onze leringen werkelijk invloed uitoefenen op de zogenaamde
zedenwet of op opvattingen omtrent waarheidliefde, reinheid, zelfverloochening,
naastenliefde, enz., dan moeten wij de kennis van de theosofie in het
openbaar verkondigen en populariseren. Niet het individuele en vastberaden
voornemen om zelf het nirvana (het hoogtepunt van alle kennis en absolute
wijsheid) te bereiken, wat tenslotte slechts verheven en glorieuze zelfzucht
is, maar het zelfopofferend zoeken naar de beste middelen om onze naaste
op het juiste pad te brengen, en zoveel van onze medeschepselen als ons
mogelijk is er hun voordeel mee te laten doen, maakt iemand tot een waar
theosoof.
. . . de Theosophical Society werd gekozen als hoeksteen,
het fundament voor de toekomstige godsdienst van de mensheid. . . .
Als men denkt aan de steeds groter wordende triomf
en tegelijk het misbruik van het vrije denken en de vrijheid . . . rijst
de vraag, hoe het strijdlustige natuurlijke instinct van de mens anders
kan worden weerhouden van het plegen van tot dusver ongehoorde wreedheden,
gruweldaden, tirannie, onrecht, enz., dan door de verzachtende invloed
van een broederschap en de praktische toepassing van de esoterische leringen
van Boeddha. Want zoals iedereen weet, betekent het zich geheel losmaken
van het gezag van die ene alles doordringende macht of wet, die door de
theïsten God wordt genoemd — door de wijsgeren van alle eeuwen
Boeddha, Goddelijke Wijsheid en verlichting of theosofie — tevens
het zich losmaken van het gezag van menselijke wetten. Eenmaal ontdaan
van hun boeien [en] bevrijd van hun ballast aan dogmatische interpretaties,
persoonsnamen, antropomorfische opvattingen en bezoldigde priesters, zullen
de fundamentele leringen van alle godsdiensten in hun esoterische betekenis
identiek blijken te zijn. Osiris, Krishna, Boeddha, Christus, zullen dan
slechts andere middelen blijken te zijn tot één en [de]
zelfde koninklijke heerbaan naar uiteindelijke hemelse zaligheid, nirvana.
Het mystieke christendom, dat wil zeggen dat christendom dat zelfverlossing
onderwijst door middel van ons eigen zevende beginsel — het bevrijde
para-atma (Augoeides), dat door de één Christus, door anderen
Boeddha wordt genoemd, en dat gelijkstaat met een regeneratie of wedergeboorte
in de geest — zal precies dezelfde waarheid blijken te zijn als het
nirvana van het mystieke boeddhisme. Wij allen moeten ons bevrijden van
ons eigen Ego, het illusoire schijnbare zelf, om ons ware zelf in een
transcendentaal goddelijk leven te herkennen. Maar als we niet zelfzuchtig
willen zijn, moeten we ernaar streven anderen die waarheid te doen inzien,
de werkelijkheid te doen beseffen van dat transcendentale zelf, het Buddh,
de Christus of God van iedere prediker. . . .
Als de theosofen zeggen . . . , wij kunnen ons niet
bekommeren om de lagere klassen en de inferieure rassen (die van India
bijvoorbeeld volgens de opvattingen van de Britten), die zichzelf maar
moeten zien te redden, wat komt er dan terecht van onze mooie doelstellingen
van weldadigheid, menslievendheid, hervormingen, enz.? Zijn deze een schijnvertoning?
En als zij een schijnvertoning zijn, kan onze weg dan wel de juiste zijn?
Zullen wij ons dan wijden aan de taak enkele Europeanen, gevoed met het
vette der aarde en van wie velen overladen zijn met wat het blinde geluk
hen schonk, te leren wat de basis is van het klinken van bellen, het laten
verschijnen van kopjes, van de geestelijke telefoon, en het vormen van
astrale lichamen, en de krioelende miljoenen onwetenden, armen en verachten,
de nederigen en verdrukten, zo goed mogelijk voor zichzelf en hun hiernamaals
te laten zorgen. Nooit. De Theosophical Society met haar beide ongelukkige
stichters kan beter ten onder gaan, dan dat wij zouden toelaten dat het
slechts een academie voor magie en een school voor occultisme zou worden.
Dat wij, de toegewijde volgelingen van die vleesgeworden geest van absolute
zelfopoffering, van menslievendheid, goddelijke welwillendheid, en van
al de hoogste deugden die op deze aarde van smart bereikbaar zijn, de
mens der mensen, Gautama Boeddha, er ooit in zouden toestemmen dat de
Theosophical Society de belichaming van zelfzucht vertegenwoordigt, het
toevluchtsoord voor de weinigen, die zich niet bekommeren om de velen,
is een zonderlinge gedachte, mijn broeders.
Wil een godsdienst en wijsbegeerte waar zijn, dan moeten ze de oplossing
bieden voor elk probleem. Dat de wereld er moreel zo slecht aan toe is,
is een doorslaggevend bewijs dat geen enkele van haar godsdiensten en
wijsbegeerten, die van de beschaafde rassen nog minder dan die van enige
andere, ooit in het bezit van de waarheid is geweest. Voor hen zijn juiste
en logische verklaringen van de problemen van de belangrijke tweevoudige
beginselen — recht en onrecht, goed en kwaad, vrijheid en despotisme,
genot en smart, egoïsme en altruïsme — nu even onmogelijk
als 1881 jaar geleden. Zij zijn even ver van de oplossing verwijderd als
ooit tevoren, maar —
Ergens moet daarvoor een logische oplossing bestaan,
en als onze leringen zullen tonen dat ze in staat zijn die te geven, dat
moet de ware wijsbegeerte, de ware godsdienst, het ware licht zijn, dat
de waarheid geeft en niets dan de waarheid.
![]()
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005