Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

Aardolie is niet
wat het lijkt te zijn

Stel je voor. Je leeft al van kinds af aan op de rug van een grote dikke olifant en je hebt in je leven niets anders leren kennen dan die harige rug, want je bent stekeblind. Iemand in je omgeving maakt je op een gegeven dag wijs dat als je in die olifant een gaatje prikt er een lekkere rode vloeistof uit komt, die je ongestraft op kunt drinken. Maar wat nou als die rode vloeistof het belangrijkste goedje van de olifant blijkt te zijn waardoor hij in staat is jou te dragen? Dan heb je een probleem.

H
et lijkt waanzin om het bloed van een olifant te vergelijken met aardolie, maar gaandeweg zullen we zien dat veel feiten toch in die richting wijzen. Even terug naar school. Wat wordt ons geleerd over de ontstaansgeschiedenis van olie en steenkool? Juist, dat aardolie en steenkool onder immens hoge druk zijn gevormd uit een berg vergane planten en dieren uit de prehistorie. Op het eerste gezicht lijkt dat een mooie sluitende theorie, die velen ook — of misschien juist — om economische redenen ondersteunen. Maar er vallen steeds meer gaten in deze hypothese, die inmiddels de status van natuurwet heeft gekregen. De gaten worden vooral opgevuld door zogeheten anomaliën, waarvan er inmiddels zo veel zijn, dat we ons af kunnen vragen wanneer iets ophoudt een anomalie te zijn?

Merkwaardige fenomenen

Eén duidelijke en gemakkelijk te begrijpen anomalie 2) wil ik niet onvermeld laten. Dan gaat het in dit geval wel om steenkool, maar dat houdt zoals we wel zullen weten, nauw verband met aardolie. Er zijn steenkoolvelden of lagen die wel 15 meter of meer dik zijn (in Morwell, Australië, zijn steenkoollagen aangetroffen met een dikte van 240 meter, waarin ook nog eens behoorlijk goed geconserveerde boomstronken zaten!), terwijl ze in Pennsylvanië in de Verenigde Staten, ze gemakkelijk een gebied van duizenden vierkante kilometers beslaan. De vraag is dan, waar komt zoveel begroeiing vandaan die zo’n gigantisch dikke steenkoollaag mogelijk maakt en hoe kan er een veenbodem ontstaan op eerdere steenkoollagen zonder dat er een geschikte voedingsbodem aanwezig is? Ik kan het dan ook niet nalaten deze gewaagde gedachte te uiten: kan steenkool uitgekristalliseerde aardolie zijn?
     En dan, hoe komt het dat aardolie maar niet op wil raken, terwijl ons in de jaren 60 werd gezegd dat we toch maar voor enkele decennia olie hadden? En wat nu als die fossiele brandstoffen niet fossiel blijken te zijn? Wetenschappelijk buitenbeentje astronoom Thomas Gold meent namelijk dat aardolie niet echt fossiel is en toont dat overtuigend aan. We blijven dan met de belangrijkste vraag zitten: Als aardolie geen afvalproduct is en zoals nu blijkt, de woonplaats van bacterin en microorganismen — de zogeheten thermofielen — is, kan het dan misschien toch het ‘bloed’ van de aarde zijn?

Wanneer is het op?

De oliecrisis van 1973 ligt bij velen nog vers in het geheugen. Lopen en fietsen op de snelweg op autoloze zondagen. De dichtgedraaide oliekraan van de Opec-landen joeg ons de schrik om het lijf. Behalve kernoorlogen en chanterende oliesjeiks waren we vooral bezorgd over leeg rakende oliebronnen in de mogelijk zeer nabije toekomst. De Club van Rome gooide nog eens extra olie op het vuur en kwam met een weten­schap­pelijk rapport genaamd Grenzen aan de Groei waaruit zou blijken dat de aarde ons slechts een slordige 30 tot 50 jaar olie zou leveren. Dan zou de aarde zeggen: ,,Sorry jongens, jammer, het is op!” Duidelijker kon het niet: onze industrile groei en welvaart liepen groot gevaar. Maar nu, bijna dertig jaar later, blijkt niets minder waar te zijn. Geen enkele boorput is gesloten omdat die opgedroogd zou zijn en niets wijst erop dat dat binnenkort ook zal gaan gebeuren. De olievelden die bekend zijn, worden op mysterieuze wijze continu bijgevuld

Olie ontbeert een biologische herkomst

Dit zette Thomas Gold, emeritus hoogleraar astronomie, al in de jaren 80 aan het denken. Hij heeft nu na twintig jaar onderzoek naar de herkomst van het ‘zwarte goud’, niets kunnen vinden dat wijst op de organische herkomst van het materiaal uit prehistorische tijden. Of zoals Ottenhoff dacht: dat de wereldvoorraad aardolie het product is van een paar honderd miljard voorouders die ooit zijn omgekomen bij een wereldramp, die we tijdens het autorijden verstoken.
     In zijn tamelijk opmerkelijke boek, The Deep Hot Biosphere — een leesbare samenvatting van eerder gepubliceerde artikelen in Science, Nature, PNAS, etc. met een lovend voorwoord van Freeman Dyson, bekend van Wim Kaysers televisieprogramma Een schitterend ongeluk — komt hij tot een opzienbarende conclusie: aardolie is veel ouder dan wij denken en heeft weinig van doen met fossielen. Zijn conclusie is dat de biomoleculen die we erin aantreffen afkomstig zijn van micro-organismen die zich op grote diepte vermeien en graag baden in de hete olie, onder een onwaarschijnlijk hoge druk. Zij houden ons met ons denkbeeld van fossiele brandstoffen voor het lapje. De olie stroomt van heel diep in de aarde omhoog en passeert een biotoop van thermofielen in de aardkorst, waardoor de olie voortaan biomoleculen bevat, gestorven microben. De huidige opvatting is dat de olie is gevormd uit prehistorisch materiaal dat na een korte dans op aarde met onvoorstelbare massa’s naar beneden is gedrukt.
     Gold wil niets weten van de orthodoxe leer. Hij veronderstelt als een astronoom pur sang, dat het zwarte goedje moet zijn gevormd uit kosmisch materiaal. Koolwaterstoffen die bij het ontstaan van de aarde uit het heelal zijn verzameld en net als onder de deksel van een grote pan zijn opgeslagen onder de aardkorst. Hij wijst naar de grote gasvormige planeten als Saturnus, Jupiter, Neptunus en Uranus die voor een belangrijk deel bestaan uit koolwaterstoffen. Waarom zou onze planeet er in het prille begin ook niet zo uit hebben gezien? De lemen reus die zij nu is, zou miljarden jaren geleden voor een deel hebben bestaan uit koolwaterstoffen die een paar miljoen jaar later, toen de korstvorming begon, zijn ingesloten.
     Bijzonder is, en dat pleit voor zijn controversile ideeën , dat bij het aanboren van aardolie en aardgas altijd helium te voorschijn komt. Helium is een edelgas dat met geen enkel ander element een reactie aangaat en al helemaal niet wordt gevormd door een chemische reactie van organisch materiaal. Helium komt vrij uit het radioactief verval van uranium en thorium, en is verder ruim aanwezig in de kosmos. Hij heeft helium in zulke grote concentraties aangetroffen die nooit door welke voorstelbare hoe­veel­heden rottend hout en organische stoffen dan ook gevormd kunnen worden. Dus, zo redeneert hij, het mag aannemelijk worden geacht dat het helium van grote diepte omhoogborrelt en aldus een zeer lange weg aflegt. Het komt van veel grotere diepte dan het relatief ondiepe laagje waar wij de olie vinden. Verder is het bijzonder dat helium nooit spontaan, buiten de atmosfeer wel te verstaan, wordt aangetroffen. Altijd in combinatie met aardolie of gas. Het lag voor Gold dus voor de hand te veronderstellen dat het helium met de koolwaterstoffen wordt meegevoerd.
     In de visie van Gold zijn de huidige voorraden olie en gas door de immens hoge druk uit de diepte dr de gesteenten omhoog gestuwd en tot stilstand gekomen onder de ondoordringbare lagen, die zo fungeren als de deksel van een snelkookpan. Als de olie onder grote druk omhoog komt, passeert die telkens poreuze holtes, vult die totdat het plafond onder de hoge druk bezwijkt, waarna een hoger gelegen holte wordt bereikt, die ook weer wordt gevuld. Uiteindelijk zal bij voldoende tegendruk de aardolie in de aardkorst tot vlak onder de oppervlakte tot stilstand komen.
     Dit rebelse idee van de niet-biologische herkomst van olie is overigens niet van hem. De Russen waren hem eigenlijk al voor. Sokoloff dacht al in 1889 dat olie een kosmische oorsprong moest hebben. Meteorieten bevatten olieachtige stoffen en de aarde is in het verleden voldoende gebombardeerd met kosmisch materiaal, zo stelde hij. Recentelijk is gebleken dat ook de kern van een komeet olieachtige stoffen bevat.
     Gold vond steeds meer aanknopingspunten, maar nog steeds geen keihard bewijs, afgezien dan van het mysterieuze helium. Maar, zo dacht hij, als je nou eens gaat boren in lagen die zo oud zijn en zo diep liggen dat daar nooit olie zou kunnen zitten en je vindt olie, heb je dan geen degelijk bewijsmateriaal in handen? Maar ja, hoe krijg je iemand zo gek dat hij honderd miljoen dollar besteedt aan het boren op een plaats waar je niets zult vinden?

The proof is in the pudding

Na enkele publicaties in Nature en Science heeft Gold een zodanige reputatie opgebouwd dat hij het aandurft om de Zweedse overheid voor te stellen om proefboringen te doen in de Siljan-ring. Een nauwelijks herkenbare inslagkrater van honderden miljoenen jaren oud met een middellijn van 44 kilometer. Een ideale plek. Het zou bij succes de Zweden onafhankelijker maken van het buitenland wat de import van olie betreft. Het was een geurige warme worst die de Zweden in de jaren 80 was voorge­houden, het olievraagstuk was hot. Voor Gold was het niet meer dan een weten­schap­pelijk buitenkansje, de onderneming zelf eigenlijk dwaasheid, een te grote gok. De geologische structuur aldaar liet er geen misverstand over bestaan dat je voor fossiele brandstoffen toch wel elders moest zijn. Na enkele verhitte debatten in het Zweedse parlement besloot men op basis van Golds argumentatie toch ervoor te gaan. Gold liep rond met een big smile. Als daar aardolie gevonden zou gaan worden, ver onder het stollingsgesteente, waar nog geen honderdste gram organisch materiaal te vinden is, zou dat de kroon op zijn werk zijn.
     Na 6 kilometer boren door het graniet komt de boor door pech tien dagen stil te liggen. Als men de draad weer op wil pakken, blijkt de boor vast te zitten. De laatste tien meter blijken vol te zitten met magnetiet, een kleverig goedje dat, zo verklaart Gold, wordt gevormd door micro-organismen die het geoxideerde ijzer afbreken. Later laboratoriumonderzoek wijst uit dat diep in de boorput inderdaad leven zit: Thermofiele bacterin, micro-organismen die goed gedijen bij hoge temperaturen. Gold onderbreekt zijn vakantie op Mallorca en brengt een bezoek aan de Siljan-ring. De arbeiders hebben het walgelijk stinkende spul vijftig meter verderop gedumpt. Maar de stank weerhoudt Gold er niet van om wat restanten in een plastic zak mee te nemen. Hij ruikt de overwinning. De stank wijst immers op organische processen (stenen zelf stinken niet) dat betekent levend materiaal!
     In april 1990, meer dan twee jaar later wordt een pomp neergelaten, bijna 7 kilometer diep. Twaalf ton ruwe olie en vijftien ton magnetiet komen omhoog. Het eerste bewijs is er. Voor Gold is nog belangrijker dat telkens weer grote concentraties koolwaterstoffen worden aangetroffen op plaatsen waar vroeger heet magma zich in het gesteente heeft gedrongen. Dit bewijst dat de stoffen die olie en gas vormen die scheuren gebruiken als een kanaal op hun weg omhoog. Er is geen duidelijker bewijs voor de niet-biologische herkomst van olie en gas, stelt een verrukte Gold.
     Voor de Zweden was er minder reden tot jubelen: de olie stroomt niet snel genoeg door de vertragende werking van het niet te vermijden magnetiet, die als bij een open wond van een mens het wegstromen van het bloed wil verhinderen. De economische waarde van de bron blijkt nihil.
     Voor Gold breekt een moeilijke tijd aan. Vierentachtig vaten ruwe olie zijn naar boven gehaald en toch willen enkele weten­schap­pelijke tijdschriften niet publiceren omdat de referees, onafhankelijke wetenschappers die het stuk moesten beoordelen, de resultaten zo ongeloofwaardig vonden dat een ander team ook maar eens moest boren. Vierentachtig vaten olie en er wordt gevraagd om een tweede proef van ruim tweehonderd miljoen gulden!

Nog meer verrassingen

Maar hoe kan het berhaupt? Olie waar geen olie behoort te zijn en levende wezens die in de olie feestvieren op een plaats die veel te heet is en waar een onwaarschijnlijk hoge druk heerst?
     John Postgate, microbioloog, kijkt er niet van op. Hij kent uit de praktijk 3) de meest onvoorstelbare omstandigheden waar leven is gevonden. Microben die in zuren zelfs met een zuurgraad van 1 blijven lachen als een boer met kiespijn. Zo zuur dat zelfs ijzer het loodje legt, ja zeg maar gerust waar bijna alles wordt gereduceerd tot niets. Er zijn vissen, reusachtige schelpen en wormen van 3 meter lengte aangetroffen op meer dan 3000 meter diepte waar heet magma door de bodem naar buiten stroomt. Helse omstandigheden, er heerst een walgelijk hoge druk, er is geen licht en bij een temperatuur tussen een en driehonderd graden weten ze het toch gezellig te houden.
     Gold heeft zijn wapenfeiten en durft nu de schattingen van de oliereserves van Levin uit 1958 over te nemen. Die calculeerde dat de koolwaterstoffen waaruit aardolie wordt gevormd, onder grote druk gevangen zouden zitten tussen de mantel en de aardkorst, wat neerkomt op een ruimte die vele keren het volume van de oceanen beslaat.
     Misschien dat we ooit zullen ontdekken dat olie als bloed door de aarde circuleert en zo de vitaliteit van de aarde distribueert, want het idee dat het naar de kern van de aarde toe alleen maar heter wordt en de druk blijft toenemen zal, gezien de resultaten van gravitationeel onderzoek, ongefundeerd blijken te zijn. Vanuit dat standpunt gezien is het misschien een extra reden om ons vampirisme van de aarde een halt toe te roepen.

Noten
1) Thomas Gold komt in zijn artikel Can there be two different processes responsible for commercial oil? op overtuigende wijze tot de conclusie dat olie, ondanks heersende opvattingen van de wetenschap, geen biologisch product is. In het kort komt het erop neer dat hij het bestaan van biologische moleculen, d.w.z. afkomstig van organismen, in olie erkent, maar die ziet als latere vervuiling van de olie als die wordt aangeboord.
2) William R. Corliss, Anomalies in Geology: Physical, Chemical, Biological, blz. 186-7.
3) John Postgate, The Outer Reaches of Life, Cambridge University Press, isbn 052144010-6.


Door Fred A. Pruyn, oktober 2005