Theosofische verkenningen
Home
E-mail
Zoeken
Theosofisch woordenboek

 

Het getal π

Ingezonden en geplaatste brief in NRC Handelsblad 13 juni 1998

‘Niemand heeft er enig systeem in kunnen ontdekken’, zo is te lezen in de bijlage W&O van NRC Handelsblad van 30 mei 1998 over het getal π (3,1415...). Niemand? Nee, niemand van de wetenschappers die π alleen maar zien als een dom stuk gereedschap. Ooit was dat heel anders.

P
i bestaat al zolang als de aarde bestaat, nee de ruimte. Pi hoort bij de natuur als water bij de oceaan. Bij de joden was π altijd al gelijk aan de Alhim, ofwel God. Het is te vinden in de theogonie van Pythagoras waarin we een andere dan een meetkundige verklaring voor dit raadselachtige getal vinden. Daarin ‘waren de hiërarchien van de hemelse menigten en goden genummerd en werden met behulp van getallen uitgedrukt’. Pythagoras had de esoterische wetenschap in India bestudeerd, daarom zeggen zijn leerlingen: ‘De monade (de gemanifesteerde) is het beginsel van alle dingen. Uit de monade en de onbepaalde duade (de Chaos) kwamen getallen voort; uit getallen, punten; uit punten, lijnen; uit lijnen, oppervlakken; uit oppervlakken, lichamen; hieruit vaste lichamen met vier elementen: vuur, water, lucht, aarde; uit al deze, omgezet (en in wisselwerking staand) en totaal veranderd, bestaat de wereld.’ (Diogenes Laertius, geciteerd door Blavatsky in de Geheime Leer, I, 475.). In het oeroude oosterse boek van Dzyan (‘kennis door meditatie’) wordt π als volgt ‘half grafisch’ uitgelegd (kan hier echter niet anders dan in woorden): ‘De grote moeder lag met de driehoek (3) en de I (lijn, géén cijfer) en het vierkant (4), en de tweede I (lijn, géén cijfer) en de ster (5) in haar schoot, gereed om deze voort te brengen, de dappere zonen van het vierkant, driehoek en twee keer I (...) van wie de twee ouders de cirkel en het . (punt) zijn.’ Net zoals in veel andere oude kosmogonieën symboliseert ‘de grote moeder’ het alles omvattende Al. De grenzeloze oneindigheid, niet alleen op zintuiglijk gebied, maar ook daarbuiten. Zo zien we dat de geboorte van alle bezielde stof door alle stadia gaat die daar door worden voorgesteld.
      De wat overrompelde maar toch wakkere lezer zal stellig met de vraag komen ‘hoe zit het dan met de getallen 0, 1 en de 2, die dan logischerwijs nog vóór het getal π zouden moeten staan (0123,1415...)?’ Deze cijfers behoren niet tot de gemanifesteerde wereld, ook ‘de grote moeder’ (de nul, vaak ook gesymboliseerd door een ei) niet, ze zijn metafysisch onkenbaar, zodat ze ook niet in de reeks thuishoren. Filosofisch zijn ze echter onmisbaar.
      De eerste differentiatie, het eerste begin van heterogeniteit binnen de homogeniteit, is de punt in de cirkel. De punt breidt zich uit tot een lijn (is dan 1), de lijn breidt zich tweedimensionaal uit en vormt zo een vlak. De eerste driehoek (het eerste cijfer van getal π) is gevormd. Het IDEE is er, de goddelijke gedachte. Het heeft alleen nog een voertuig nodig om zich te manifesteren. Het is het vierkant, de 4, de combinatie van de vier elementen: vuur, water, lucht, aarde. Tevens het eerste driedimensionale lichaam (kegel). Het IDEE kan echter niet rechtstreeks in de stof werken, er is een scheidingsgebied, een niemandsland, tussen de wereld van de ideeën en de stof. Want geest en stof zijn eigenlijk elkaars tegenpolen, net als met water en vuur zijn ze NOOIT te verenigen. Die afstand wordt voorgesteld door de 1.
      Dus de geest (3) daalt af in de stof (4) en vormt aldus de mens (5). De genoemde stof is nog niet ons aardse stof. Het is stof op een hoog geestelijk gebied.
      De lange reeks cijfers die volgt op de 5 wordt, voor zover aan de schrijver bekend, niet verder verklaard, maar kan met enig logisch doorredeneren symbool staan voor de oneindig ‘door-differentiërende’ of afdalende geest in de stof. Resultaat: een oneindige variatie aan levende wezens in de natuur.


Door Fred A. Pruyn, oktober 2005