De eerste drie uren van een
waardevolle dag
op ruimteschip Aarde
De dag is een cyclus, en de zonsopkomst en zonsondergang
zijn momenten waarop de sluier tussen de innerlijke en uiterlijke werelden
dunner wordt; iets van binnen raakt het hart en de hele natuur reageert.
De vogels antwoorden met een ode in ochtend en avond, de planten met het
openen en sluiten van bloemen en andere levensvormen weer op een andere
unieke manier ...
De vier heilige seizoenen van het jaar worden herhaald tijdens
de vier delen van de dag, en iedere zonsopkomst brengt hernieuwd leven
— werkelijk, een nieuwe lente van de omwenteling van die dag.
In de lente, de zonsopkomst van het jaar, beginnen de zangvogels
vanuit het zuiden te arriveren. Snel daarop volgen de bloemen, een siddering
van nieuw leven is overal voelbaar.
In oude tijden kende de mens de innerlijke betekenis van
de Natuur, kende zichzelf als één met de Natuur, en leefde in harmonie
met de Grote Moeder.
— Allan Stover, Nature’s Magic
Als de dooi aan het einde van de winter de helderwitte sneeuw laat smelten en daarmee de barre werkelijkheid van zijn bedrieglijk mooie gewaad ontdoet, wordt een kortdurende betovering weer verbroken. Op zo’n moment, als alles weer een zekere grofheid terugkrijgt, kijken we dan niet vol verlangen uit naar de nieuwe lente? Zouden we op zo’n moment als het even kon niet nog vandaag koning Winter naar zijn graf brengen?
| W |
Nee, er hangt iets in de lucht dat we niet kunnen verklaren. Misschien kunnen we meer leren van een conversatie tussen een adept en de leider van ons genootschap Katherine Tingley aan het begin van de twintigste eeuw op een berghelling in Darjeeling, in het noordoosten van India. Sprekende over het begin van de dag vertelde hij haar dat de mens
in de stilte en het zonlicht van de eerste uren iets zou
moeten vinden dat zich verbindt met zijn eigen hogere natuur en dat tot
bloei komt en vruchten voortbrengt. Hij zou zich in de ochtend in het
aangename zonlicht moeten bevrijden en de dag zo vredig beginnen alsof
hij een klein kind uit zijn slaap wekt, en de meer oprechte en edele kant
van zichzelf naar buiten brengen — ik bedoel niet naar buiten brengen
in woorden en taal, maar in gedachten die de rijkdom en volheid van de
geest benaderen en waarbij men ieder moment dat de god zich in hem verheft
deze tot bloei laat komen. Als hij daarna de moeilijkste plicht, waarvan
hij weet dat het zijn plicht is, aanpakt en volbrengt, zal hij het geheim
leren kennen om waakzaam te zijn en na korte tijd zal hij, zonder zich
ervan bewust te zijn, alle lasten die hem hinderden van zich hebben afgeworpen.
Velen werken hard en gewetensvol om van deze lasten te worden bevrijd:
het is niet nodig er één seconde aan te besteden. Men hoeft slechts de
twijfels en bange vermoedens opzij te zetten om de kamers van de ziel
te betreden, en zich te koesteren in het zonlicht en de kracht die daar
zijn te vinden.’
‘De eerste drie uren van de dag,’ vervolgde hij, ‘bieden
de beste gelegenheid. Wie niet opstaat met de zon verliest een ontzaglijke
hoeveelheid kracht. Wie opstaat vóór de zon en bij het aanbreken van de
dag zijn plichten van dit gebied heeft volbracht en wat nodig is voor
de verzorging van het lichaam en gereed is bij zonsopkomst naar buiten
te gaan en met de zon te werken, krijgt de medewerking van een kracht
waarover hij maar weinig weet — het heldere blauwe licht achter de zon.’
— Katherine Tingley, De Goden wachten op ons, deel 4
Wat is dit heldere blauwe licht
dat achter de zon schijnt en dat zo vol is van die edele kracht, die ons
zal helpen bij het met genoegen vervullen van onze plichten en voorkomt
dat we versleten raken voor het onze tijd is, die alle levende zielen
in de diverse natuurrijken ondersteunt? Waardoor beginnen al de vogels
te zingen ruim voor de nachtelijke hemel ook maar in geringste mate de
komst van de zon verraadt? Het is moeilijk te zeggen, maar moderne communicatietechnieken
zouden ons op weg kunnen helpen. Want wat blijkt, we kunnen tegenwoordig
met elkaar communiceren met behulp van meteoren! Digitale berichten kunnen
in de lucht worden gezonden en worden naar de aarde teruggekaatst door
een spoor van kleine kosmische deeltjes die met miljoenen tegelijk dagelijks
in de atmosfeer verbranden. 2)
Op het moment dat een meteoor met enorme snelheid onze atmosfeer
binnenvliegt, wordt hij door een digitaal signaal gebruikt om vooruit
te springen, zoals een man een rivier oversteekt door over ijsschotsen
te springen. Opvallend gegeven is dat deze techniek het meest effectief
is in de vroege ochtend, naarmate de dag ouder wordt zien we een geleidelijk
afnemende hoeveelheid binnenkomende meteoren. Er zijn al transportbedrijven
die hier mee werken. Chauffeurs in het buitenland verzamelen ‘s avonds
informatie en zenden die in de ochtend naar huis.
Wat meteoorstof — de planetaire, interplanetaire
en interstellaire deeltjes die door de ruimte drijven — zo bijzonder
maakt, is dat het een sluier of schild rond de aarde vormt. Zoals een
andere adept in een brief aan A.P. Sinnett opmerkt:
Hoog boven ons aardoppervlak is de lucht bezwangerd en de ruimte gevuld met magnetische of meteoorstof, die zelfs niet eens tot ons zonnestelsel behoort. De wetenschap, die gelukkig heeft ontdekt dat onze aarde, die met alle andere planeten door de ruimte wordt gevoerd, een groter deel van die stof op haar noordelijk dan op haar zuidelijk halfrond opvangt, weet dat het overwegend aantal continenten op het eerste halfrond en de grotere hoeveelheid sneeuw en vocht daaraan te danken is. Miljoenen van die meteoren en zelfs van de fijnste deeltjes bereiken ons jaarlijks en dagelijks, en al onze tempelmessen zijn van dit ‘hemelse’ ijzer 3) gemaakt, dat ons bereikt zonder dat het enige verandering heeft ondergaan — het aardmagnetisme houdt ze bijeen. Voortdurend wordt gasachtige stof aan onze atmosfeer toegevoegd uit de onophoudelijke neerslag van sterk magnetische meteoorstof, . . .
— A. Trevor Barker, De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 175
Maar hoe is deze informatie te rijmen met het beloofde magische of blauwe licht van de vroege ochtend? Welnu, in de vroege ochtend beroert het licht met een korte golflengte deze meteoorsluier, zodat de verhoudingsgewijs hoog energetische straling van dit ultraviolette en onzichtbare deel van het elektromagnetische spectrum de dag geboren laat worden. Als we nu kijken naar de aarde die door het snijvlak van het zonnestelsel reist, wordt het duidelijk dat we in de vroege ochtend worden overgoten met hoog energetische kosmische deeltjes die zijn voorzien van de vitaliteit van de zon. Op dat moment bevinden we ons op de voorplecht van ruimteschip aarde. Onze planeet beweegt met de duizelingwekkende snelheid van meer dan 124.000 kilometer per uur rond de zon, en vormt daardoor een compact aura van meteoorstof. Zie illustratie.
Maar bij zonsondergang, als de aarde sinds het
ontbijt 180 graden is gedraaid, bevinden we ons op de achterplecht van
dit machtige schip. Wij bevinden ons dan aan de lijzijde en bewegen ons
in kosmisch stof waar de aarde al eerder doorheen is gegaan. Anders uitgedrukt,
bij zonsopkomst douchen we onder een boeggolf van zuiver kosmisch stof
voorzien van gunstige invloeden van de zon, vers aangevoerd en nog niet
verbruikt en vervuild door de activiteiten van alle levende wezens op
aarde.
Dan bedoel ik niet de vervuiling door het gewone fysieke
werk, maar vooral vervuiling door de gedachtenatmosfeer. Het zijn de gewone
gedachten, het lagere denken, dat opgewonden kan raken, hartstochten en
emoties op gang helpt dat net als smog in de zomer, in de ochtend nog
amper aanwezig is, maar in de loop van de dag zich langzaam ophoopt, of
misschien moet ik zeggen is de turbulentie of zijn de wilde stromingen
ervan het grootst. Sommige mensen zijn hier gevoelig voor. Als zij bepaalde
vertrekken binnenkomen zeggen ze bijvoorbeeld dat de spanning om te snijden
is of als ze bijvoorbeeld in een kerk of kathedraal komen merken ze op
dat er een sacrale atmosfeer hangt. We zien het niet en het is ook niet
in een laboratorium aan te tonen, want het is de astrale atmosfeer, de
omgeving waar onze psyche zijn thuis heeft. Het is een zeer fijnstoffelijke
sfeer die niet door wetenschappelijke instrumenten te bereiken is.
Ja, niet alleen ons stoffelijk lichaam heeft voedsel nodig.
Ook ons hogere deel, de psyche verlangt naar en gebruikt voedsel. Zo komt
het dat we zeggen ‘zijn hoofd zit er vol van’, ‘hij zuigt de informatie
als een spons in zich op’ enzovoorts, enzovoorts. Ja, zelfs ons hoogste
deel, de hogere ziel, of geest heeft behoefte aan voedsel. Alles wat leeft,
en dat doen de afzonderlijke delen die de mens vormen, heeft behoefte
aan voedsel. En door al die afzonderlijke delen van de mens, lichaam,
ziel en geest, stroomt het universele Leven, klopt het hart van de goddelijke
wereld. Maar wat consumeert laat altijd afvalstoffen achter, zorgt voor
emanaties, uitstralingen. Niets kan worden vastgehouden, alles stroomt
met de loop van gebeurtenissen.
En dan wilt u waarschijnlijk ook wel weten wat
de hoogste geest, onze eigen innerlijke god waar wij een straal van zijn,
dan wel graag op het menu heeft staan? Wel, wat anders kan dat zijn dan
de grote zelfopofferingen die wij ons getroosten ten bate van de mensheid?
Het is het werken aan ons karakter door het doen van onze plichten, door
het geven van liefde, de zelfopofferingen die wij op die kostbare momenten
in ons leven doen voor onze vrienden, ons gezin, aan de mensheid die zo’n
diepe onuitwisbare indruk op onszelf maken. Ja, wij produceren dat voedsel
als wij gehoor geven aan de toenemende aansporingen die wij elke dag,
elke minuut van binnenuit ontvangen. Het is de blijvende verruiming van
bewustzijn, het is dit grotere hart waaruit het voedsel of godenspijs
voortkomt dat wij ons Hoger Zelf aanbieden als wij terugkeren naar Huis
aan het einde van dit leven.
En wie zal zeggen of een degeneratie van dit idee de Tolteken
en latere Azteken zover heeft gebracht om over te gaan tot het offeren
van de harten van mensen aan de zon, dat altijd werd beschouwd als het
kloppende hart van ons zonnestelsel? En welke verrassing zal ons nog te
wachten staan als in de toekomst mocht blijken dat die offeringen nooit
werkelijk plaats hebben gevonden?
Afbeeldingen
op tempels van adelaars die een hart verorberen vertellen een verhaal
in een mystieke symbolische taal. Maar als we de taal van de religie en
filosofie van een volk niet kennen is de uitleg binnen het kader van een
overwegend christelijke context dan ook snel misvormd. Een adelaar is
in de occulte leer een veelgebruikt symbool voor de hogere ziel. Zijn
scherpe ogen kijken in hoge vlucht over de bergtoppen van vele incarnaties
heen, hij heeft het vermogen ver in de toekomst te zien, en zijn roofzucht
komt overeen met de evangelische uitspraak dat we het koninkrijk gods
met kracht moeten veroveren. Het is deze hogere ziel die zich dus te goed
doet aan ons hart. In Egyptische hiërogliefen vinden we ook vaak een valk
of een gier.
De
gier is de opruimer. Hij is het hogere wezen dat achteraf de ervaringen
van de overledenen assimileert.
Om terug te keren naar deze aarde, we weten dat de ‘frisse lucht’ waar we in de ochtend nog van genoten, tegen de avond vaak vol smog en verontreinigingen zit, al naar gelang van de dichtheid van de bevolking van waar we zijn. Misschien vinden we hier dan ook wel de achterliggende gedachte van oude zegswijzen waarin het oosten, en de zonsopgang, gelijkgesteld wordt met leven en het westen, de zonsondergang, synoniem is met de dood?
Maar er zijn nog veel meer interessante dingen over de aarde
en de vroege ochtend te zeggen. Ons zonnestelsel met de zon in het midden
en de vele planeten er omheen, omcirkelt het centrum van de Melkweg met
de werkelijk onvoorstelbare snelheid van 867.000 kilometer per uur, wat
gelijk staat aan net iets minder dan 22 rondjes om de aarde in één uur,
zodat we in ruwweg 226 miljoen jaar het centrum van de Melkweg van alle
kanten hebben bekeken. Verder valt op dat het gehele zonnestelsel in relatie
tot de Melkweg 62 graden ten opzichte van die Melkweg is gekanteld. (zie
illustratie)

Door die kanteling ‘kijkt’ ons noordelijk halfrond als het ware voortdurend in de bewegingsrichting van het zonnestelsel in zijn duizelingwekkende reis rond het centrum van de Melkweg. Dit zou van betekenis kunnen zijn voor de grote hoeveelheid meteoorstof die door de aarde wordt gevangen, vooral op het noordelijk halfrond. Een zaak met grote gevolgen. Volgens de leraren van H.P. Blavatsky is:
‘de magnetische aantrekking van meteoorstof door de aarde en de directe invloed van deze stof op de plotselinge temperatuurwisselingen, speciaal in verband met warmte en kou, tot nu toe nog geen uitgemaakte zaak, geloof ik. Men twijfelde eraan of het feit dat onze aarde door een gebied in de ruimte gaat, waarin zich meer of minder dichte massa’s meteoorstof bevinden, enig verband houdt met het toe — of afnemen van de hoogte van onze atmosfeer, of zelfs de weersgesteldheid. Maar wij menen dat we het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen; en sindsdien accepteren zij het feit dat de relatieve verdeling en verhouding van land en water op onze aardbol het gevolg kan zijn van een grote opeenhoping van meteoorstof op aarde, en sneeuw — vooral in onze noordelijke streken — is vol van meteoorijzer en magnetische deeltjes; en daar afzettingen van de laatste zelfs op de bodem van de zeeën en oceanen worden gevonden, vraag ik me af waarom de Wetenschap tot nu toe niet heeft begrepen dat elke atmosferische verandering en verstoring is toe te schrijven aan het gecombineerde magnetisme van de twee grote massa’s waartussen onze atmosfeer wordt samengedrukt! Ik noem deze meteoorstof een ‘massa’, want dat is het inderdaad ... Ik had de indruk dat de wetenschap wist dat de ijstijden, zowel als die perioden waarin de temperatuur ‘is als die van het Carboon,’ worden veroorzaakt door het toe — en afnemen, of liever het uitzetten van onze atmosfeer, welk uitzetten zelf weer te danken is aan dezelfde aanwezigheid van meteoorstof? in ieder geval, we weten allemaal dat de warmte die de aarde ontvangt door zonnestraling op zijn hoogst één derde, zo niet minder is van de hoeveelheid die zij rechtstreeks van de meteoren ontvangt.’
— A. Trevor Barker, De Mahatma Brieven, blz. 174-5
Meteoorstof schijnt dus de hele planeet te beïnvloeden
én onszelf. De vele gezegden van volken verspreid over deze aarde die
er op wijzen dat er veel kan worden gewonnen door vroeg op te staan, krijgen
nu een nieuwe dimensie. Als we al deze vreemde vondsten nader bestuderen,
lijkt het inderdaad natuurlijk dat de ochtend wordt gewijd aan serieuze
zaken, inkeer en onpersoonlijke liefde. De lucht van de vroege ochtend
trilt van spiritualiteit wat het voor ons dan gemakkelijker maakt om in
een hogere bewustzijnstoestand te geraken. Maar als de dag ouder wordt
en we geleidelijk aan ondergaan in de vergiftigde delen van de aardse
atmosfeer, vinden nobele initiatieven een grotere tegenwerking. In de
avond arriveren we in dat deel van de dag waarin we afgeschermd worden
van de zon en zijn weldoende krachten. Misschien is dat een reden waarom
mensen speciaal voor de avond kiezen om zichzelf te amuseren, zelfs als
er overdag geen werk wordt verricht, zoals bijvoorbeeld tijdens vakanties?
Ook aardig om te weten is dat het in de medische wereld een bekend verschijnsel
is dat ouderen en zuigelingen tegen de middag de neiging hebben onrustig
te worden. Bij demente bejaarden noemt men dat verschijnsel het ‘sundown
— syndroom’.
Iemand anders die zich heel goed bewust was van
de invloeden van de diverse momenten van de dag en ook in overeenstemming
daarmee leefde was Apollonius van Tyana, de grote adept van de eerste
eeuw van onze jaartelling. Zoals zijn leerling en biograaf Damis verklaart:
waar hij ook ging, hij hield zich altijd aan een vaste regelmatige verdeling van de dag. Bij zonsopkomst voerde hij in eenzaamheid zekere religieuze oefeningen uit, waarvan hij de aard alleen doorgaf aan hen die de discipline van ‘vier jaren’ (ook wel vijf jaar) zwijgzaamheid hadden volbracht. Dan sprak hij met de tempelpriesters of de hoofden van een gemeenschap ... Niet dat hij de gewone mensen negeerde; het was zijn vaste gebruik om hen te onderwijzen, maar altijd na de middag; maar zij die het innerlijke leven leefden, zo zei hij, zouden bij het krieken van de dag de nabijheid van God moeten zoeken, en dan de dag tot aan de middag besteden aan het geven en ontvangen van onderricht in heilige zaken, en zich niet tot de middag wijden aan wereldse zaken. Dat is te zeggen, de ochtend werd door Apollonius gewijd aan goddelijke wetenschap, en de middag aan het onderricht in ethiek en het praktische leven. Na een werkzame dag nam hij een bad in koud water, zoals zo vele van de mystici in die tijd en in die landen, waaronder de Essenen en de Therapeuten.
— G.R.S. Mead, Apollonius of Tyana, The
Philosopher — Reformer
of the First Century A.D., blz. 70-2
We zien dus dat het vroegste deel van de dag het
kalmste, meest verfrissende en spirituele deel ervan is. Misschien, als
het nog kan, zou het een goed voornemen voor het begin van dit jaar kunnen
zijn om eens vaker stil te staan bij wat we via ons denken tot ons nemen
en wanneer mogelijk, dat te offeren aan ons Hoger Zelf. Het resultaat
zal zijn dat we groeien in bewustzijn en kracht en dat we zullen merken
dat we meer begrip krijgen voor de kleine zaken waar wij en onze medemensen
mee worstelen.
Laten we ’s ochtends bij het wakker worden genieten
van het orkest van de vroege vogels en op een vriendelijke en zachtaardige
manier ook de vogels van ons innerlijke wezen naar ons toefluiten, zodat
we weer een fit en compleet mens vormen, gereed en krachtig om de dag
zorgeloos maar vastberaden te beginnen.
1) Voorgedragen tijdens bijeenkomsten van het Theosofisch
Genootschap (Pas.) te Gouda en Middelburg in januari 2003.
Uitgebreidere versie van eerder gepubliceerd artikel in Sunrise, Theosophical
Perspectives.
2) www.meteorcomm.com/technology.html
3) Tibetaanse bellen en kommen die zijn gemaakt van dit ijzer zijn
nog steeds verkrijgbaar. Zoals een internetleverancier laat weten: ‘ze
werden voor het eerst gebruikt tijdens de vroeg-sjamanistische Bon-religie
van Tibet en antedateren de komst van het boeddhisme in dat land met misschien
wel duizend jaar ...
Tibetaanse bellen worden bijzonder gewaardeerd vanwege hun magische klankeffecten,
en die met de beste tonaliteiten werden gemaakt van een legering van zeven
metalen bestaande uit goud, zilver, nikkel, koper, zink, antimoon en een
bijzondere meteoritisch ijzer, gevonden op de hoogvlakte van Tibet. Omdat
het uit de hemel viel werd dit ‘luchtmetaal’ geassocieerd met
de heilige Dorje, of bliksemschicht van de goden (vajra in
het Sanskriet) en werd bijzonder gewaardeerd door de traditionele Tibetaanse
metallurgen.’
![]()
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005