Verborgen wijsheid
van slangen en draken
Slangen en draken staan in de verhalen van vrijwel elke cultuur aan de wieg van de mensheid. Of het nu gaat om Adam en Eva of de Chnouphis van de oude Egyptenaren, Quetzlcoatl van de Tolteken of de vele draken van China, altijd zijn ze van grote betekenis voor de jonge mensheid geweest.

| I |
Maar de draak, van het Griekse drachon, de waakzame, hij die alles ziet, is weer een verhaal apart hoewel in veel betekenissen toch weer gelijk. In China is hij de wijze, de intelligente. Maar de moderne nuchtere mens laat zijn vlammende adem koud, en voor de intelligentsia is hij dan ook niet meer dan een onbeduidend sprookjesfiguur met slechts weinig mythologische waarde.
In fabels zien we deze onaardige reptielen afgebeeld als een soort enorme hagedissen met vleugels, geschubt en vooral niet moeders mooiste. Dit vindt ongetwijfeld zijn oorsprong in de herinnering aan een prehistorisch dier dat ooit werkelijk heeft bestaan, want de afbeelding van draken wordt teruggevonden op rotsschilderingen en oeroude munten.
De draak én de slang hebben vele betekenissen en alleen in de juiste context beschouwd, kun je zien welke van toepassing is. Soms vertolken ze diverse gebeurtenissen in de kosmische en wereldgeschiedenis, en op andere plaatsen symboliseren ze diverse aardse en menselijke kwaliteiten, want beide wezens kunnen op verschillende momenten geestelijke onsterfelijkheid betekenen, wijsheid, wederbelichaming of vernieuwing. De draak is soms tweevoudig, en kan zelfs een paar vormen met de slang, zoals bij Agathodaimon en Kakodaimon, de goede en slechte slangen van de caduceus ofwel de staf van Hermes. Als hij zevenkoppig is, wijst dat vaak op de zeven cycli of tijdsperioden waar de aarde en haar bevolking doorheen moeten gaan, maar ook, en dat maakt het wat moeilijker, over de zeven verschillende werelden of bestaansgebieden.
Het vuurgevaarlijke monster speelt vaak een angstwekkende rol in een universele mythe, een verhaal dat je over de hele wereld terugvindt. Een zonnegod vecht met de draak waarbij laatstgenoemde uiteindelijk het onderspit delft, zoals bij het verhaal van St. Joris en de draak, waarin we de mystieke afdaling van de geest in de stof kunnen herkennen en de uiteindelijke vergeestelijking of opheffing van de stof door die geest in de opgaande boog van evolutie. De geest trekt als het ware het stoffelijke omhoog. In de christelijke apocalyps speelt de draak een belangrijke rol, maar wordt vaak ten onrechte beschouwd als zijnde het kwaad, en op een lijn gesteld met satan en de duivel. Gezien vanuit het ontstaan van de kosmos en het ontelbaar aantal zonnestelsels zijn alle draken en slangen die door hun opponenten zijn verslagen de onbeheerste of chaotische kosmische beginselen die door de geestelijke zonnegoden of de creatieve kosmische krachten onder het juk worden gebracht, maar zij zijn niet het kwade of het slechte. Hij stelt die krachten voor, ook in onszelf, die we hebben leren beheersen.
Zo zien we een draak vaak zitten op een schat en met een onverzadigbare behoefte aan schone maagden. En daar heeft de draak een probleem. De oerlelijke draak en de oogverblindend mooie maagd zijn duidelijk elkaars tegenpool, ze liggen mijlenver van elkaar vandaan en worden eigenlijk niet tot elkaar aangetrokken, maar zijn wel tot elkaar veroordeeld. De draak verlangt naar het mooie meisje en het meisje naar de fonkelende juwelen van de schat of ook wel helemaal niets. Vaak genoeg is de vrouwelijke schoonheid voor de maagd voldoende zorg om haar bezig te houden. Ze zijn met andere woorden elkaars tegengestelden, de noord en zuidpool van een magneet. We zien aan de ene kant de mooie, passieve, aantrekkende, onberoerde en dus zuivere vrouwelijke kant van de maagd en de lelijke, elektrische en afstotende mannelijke kant van de draak. Het zijn dan ook de astrologische beelden maagd en schorpioen die altijd uit elkaar liggen en op afstand worden gehouden door het teken weegschaal, dat als balancerende kracht er tussenin staat. De schorpioen of draak staat voor de snelle elektrische maar ook onaantrekkelijke denkende kracht in het astrale licht, vooral als hij grote vlammen uitbraakt, wat een symbool is van de vurige spirituele of goddelijke kracht. Het elektrische vermogen dat in alles zit en alles doorstroomt. De schat die hij bewaakt is het gebied in het denken of het beginsel dat moet worden veroverd of beheerst.
Om het idee nog duidelijker te maken zouden we ons een acrobaat in een circus voor kunnen stellen. De leerlingacrobaat is gelijk aan de schone maagd, in het begin nutteloos maar in potentie onbeperkt in zijn mogelijkheden. De truc die moet worden geleerd, wordt bewaakt door de draak. Hij maakt het streven onaantrekkelijk. Het kost dan vaak ook vele jaren volhouden om een kunst meester te worden. Pas als de acrobaat heeft geleerd over het slappe koord te lopen, of te balanceren op een bal en tegelijkertijd met de kegels te jongleren kunnen we zeggen dat hij, als schone maagd, als de uiterlijk mooie maar nutteloze stof, de kunst heeft eigengemaakt die in zichzelf abstract is. We kunnen namelijk niet zeggen dat het jongleren iets is wat je zo kunt overhandigen, het is geen product dat je in de winkel kunt kopen. Nee, de acrobaat moet de onzichtbare draak overwinnen, hij moet moeite doen om die afzichtelijke weg af te leggen, die onaantrekkelijke weg van vallen en opstaan, vallen en opstaan en steeds maar weer door de draak te worden teruggeworpen, totdat hij het zo vaak heeft geoefend dat hij de draak heeft overmeesterd. Een nieuw bewustzijn en een nieuwe wereld heeft veroverd. We zien dan ook, dat de draak in onszelf zit.
Door geschiedkundigen wordt gezegd dat onze zodiak oorspronkelijk tien tekens telde en dat er later één astrologisch teken werd gesplitst en één werd tussengevoegd. Het is het moment dat de mens zijn geslachtloze staat verloor en, zoals beschreven in het verhaal van Genesis, werd als man en vrouw, zo lezen we in Isis Unveiled van H.P. Blavatsky. Deze overgangsfase vinden we vele tientallen miljoenen jaren geleden 1). Het is terug te vinden in de tekens maagd
De draak in zijn hogere en belangrijkere betekenissen staat zoals eerder gezegd voor goddelijke wijsheid, ons hogere zelf, en vooral als de slang op het toneel verschijnt, voor aardse wijsheid. Adepten of ingewijden werden dan ook vaak draken en slangen genoemd, daarover later meer. In ieder geval hebben we nu een verklaring voor de aanwezigheid van de slang in de esculaap van de geneeskunde. Het is de wijsheid die de ziekte constateert en het medicijn bereidt.
Maar hoe is men nu ooit op het beeld van de draak gekomen? Waar vinden we zijn oorsprong? Hiervoor moeten we terug naar lang, lang vervlogen tijden. En dan hebben we het niet over een kleine 10.000 jaar, maar over een slordige dertig miljoen jaar, naar Theosofische tijdrekening. Tijden waarin de dinosauriërs vrolijk rondstampten. Het lijkt na de film Jurassic Parc onwaarschijnlijk, maar de theosofie durft vol te houden dat ook in die tijd al mensen leefden, en wat nog mooier is, wij waren het zelf die strijd moesten leveren met die monsters en gevleugelde sauriërs, de draken, al zullen ze geen vuur hebben uitgebraakt. Het probleem met de film Jurassic Parc is, dat de wetenschap veronderstelt dat de mens pas na de dinosauriërs het wereldtoneel zou hebben betreden. Wij stellen echter dat de mens ook toen al leefde en net zo reusachtig waren als de dino’s. Zijn er niet op tal van plaatsen in de wereld reusachtige gefossiliseerde beenderen gevonden die aan menselijke wezens worden toegeschreven? Alles uit die oude periode had reusachtige afmetingen. Er waren reuzenbomen, waarvan de sequoia en de redwoods in het westen van de Verenigde Staten de laatste overlevenden zijn en vele soorten reuzenvarens en bloemen. De enorme beelden van Bamian in Afghanistan, als
flatgebouwen zo hoog, die vorig jaar door de fundamentalisten met de grond
zijn gelijk gemaakt, herinnerden daaraan. Met opzet waren die vier steeds
kleiner wordende beelden daar in het verleden neergezet, opdat wij onze
enorme geschiedenis niet zouden vergeten. Van enorme reuzen werden we
met het verstrijken van de miljoenen jaren kleiner en kleiner en minder
etherisch. We kunnen overigens nog meer van zulke boeddhabeelden vinden
onder andere in China en elders.Dat zulke ideeën nu ongeloofwaardig overkomen komt doordat wij door de invloed van het christelijke denken, het leven niet meer als een continuïteit zien. Het verlies van het geloof in reïncarnatie, het feit dat we een absoluut vertrouwen stellen in het boek der boeken, de bijbel, en daar zelfs onze kalender op laten rusten heeft onze visie, wat tijd betreft, schrikbarend beperkt. We zien terug naar de middeleeuwen en vinden dat al een geweldige tijd geleden, terwijl dat gezien ons leven in de eeuwigheid werkelijk helemaal niets voorstelt.
Terug naar slangen, naga’s en farao’s
De betekenissen van de slang
zijn wereldwijd dus enorm omvangrijk, de misvattingen zo snel gevormd,
dat het dus belangrijk is de slang en de draak vooral met een geestelijk
oog te beschouwen. De hebreeuwse geschriften als die van het oude testament
staan in het gebruik van de slang als symbool van een geestelijke leraar
niet alleen. Ook de hindoeliteratuur kent ontelbare gevallen waarin de
slang, nāga of sarpa wordt genoemd, als metaforische aanduiding
voor grote leraren of ingewijden. In die gevallen waarin sprake is van
een adept van de goede weg wordt hij een nāga genoemd, in gevallen
waarin sprake is van een zwarte magiër heeft men het dan over sarpa’s.
Sarpa staat voor kruiper, slecht, laag bij de grond, sluw, listig, bedient
zich van insinuaties. Een duidelijk voorbeeld van de aanduiding van een
leraar van het kwaad vinden we in Genesis 49:17, in de zoon Dan van Jakob
:
‘Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang
op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover
valt.’ Let hierbij vooral op het symboolgebruik van het paard
dat in de oudheid altijd een embleem was voor de hogere logos of zonnekrachten.
Het is de hand van de school van de broeders van de schaduw die genoegen
schept in het kwaad en het goede in de mens wil vernietigen.
In Exodus 7 lezen we dat Aäron wordt gesommeerd voor de farao
zijn staf te werpen die zal veranderen in een slang. Ook de farao draagt
zijn geleerden en tovenaars op een staf te werpen en te veranderen in
een slang. Uiteindelijk wint de slang van Aäron het gevecht. Het is een
herinnering aan een strijd tussen de krachten van het licht en de duisternis
die zo vaak in het verleden tussen grote adepten van beide kanten zijn
gevoerd.
Verder lezen we ook dat Jezus Christus een groot vertrouwen
in de goede slangen had. Heeft hij niet gezegd: ‘Wees dan zo wijs
als de slangen en onschuldig als de duiven’ (Matth. 10:16)?
De slang blijkt een ... vriend
Met deze wijsheid op zak kunnen we zien dat de
verleidelijke slang die Adam en Eva het eeuwige leven ontnam helemaal
niet satanisch is geweest. Nee sterker nog, als we de juiste sleutels
van de symboliek erop toepassen en in het slot omdraaien, ontdekken we
een belangrijke parallel met de Prometheusmythe uit de Griekse mythologie.
Weet u nog? Prometheus was die Griekse god die het vuur van de goden stal,
het licht van intelligentie en denkvermogen, om het aan de lijdende mensheid
te geven. Als straf daarvoor werd hij door Zeus aan een rots geklonken
en moet hij tot het einde der tijden een vreselijk lijden ondergaan.
De theosofie leert dat de Prometheusmythe een belangrijke
fase in onze ontwikkeling symboliseert, die miljoenen jaren geleden plaatsvond.
Het was de tijd waarin wij mensen lichamelijk voldoende waren ontwikkeld,
maar geestelijk nog leeg, onontwikkeld, als dieren. Toen daalden de goden,
de mānasaputra’s een sanskrietwoord dat letterlijk vertaald ‘zonen
van het denkvermogen’ betekent (manas is het Sanskrietwoord voor
denken, waar ons woord mens van is afgeleid, de mens is dus een denker!),
neer en zij leefden onder ons als onze goddelijke leraren. En zo lezen
wij in Genesis 28:12 : Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een
ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen
Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder. En zie, de Here
stond bovenaan ...
De slang van Adam en Eva is dus geen listige
slang, maar de edele actieve kracht van het hogere denkvermogen dat het
eerst begint te ontwaken in Eva. Zij neemt de beslissing, en dus voor
het eerst in de geschiedenis van de mens, het lot in eigen hand. We zien
dit ook bevestigd in de wat lastiger taal van de numerologische symboliek.
Eva is een drieletterig woord, en Adam vier. Het getal drie zien we terug
in de driehoek van het denkvermogen 2).
Denk aan de driehoeken in het zegel van Salomon dat ook terug te vinden
is in het zegel van het Theosofisch Genootschap, aan de driehoekige gevels
die boven de zuilen van Griekse tempels rusten en de driehoekige kether,
de kroon, die in de kabbala op de zeven overige sephiroth rust. De vervlochten
driehoeken wijzen op het denkvermogen dat zowel omhoog gericht kan worden
naar de geest, als omlaaggericht door de zelfzucht en illusie van de stof.
De vier van Adam is bovendien het eerste
getal vanaf de nul dat een driedimensionaal object, een kegel of piramide,
of een lichaam kan vormen. De drie kent slechts één dimensie, is een plat
vlak en is dus een abstractie, kan alleen maar gedacht worden. Adam is
dus het stoffelijke lichaam en Eva het denkvermogen dat erin aanwezig
is. Daarom is het dus niet Adam die kiest, simpelweg omdat hij niet kán
kiezen. We zien dus ook, dat dit hebreeuwse verhaal helemaal niet per
se gaat om een man en een vrouw, maar om de polaire tegenstellingen, stof
en geest, Adam en Eva. Een stoffelijk lichaam en het denkvermogen 3)
dat er in opgesloten zit. De rib uit Adam waaruit Eva werd gevormd
herinnert aan de scheiding van de geslachten en de ontwikkeling van het
brein dat vele miljoenen jaren geleden in gang werd gezet. Het brein als
woning voor het denkvermogen. Nu zien we dus dat de slang het hogere denkvermogen
of de goden van het eerste uur voorstellen die de vroege mens proberen
te inspireren en wakker te roepen.
De keuze is ook niet slecht zoals in de bijbel door ongelukkige
vertalingen wordt gesuggereerd. De straf is geen echte straf, maar een
noodzakelijke evolutionaire gang omlaag in de stof. De slang zei dan ook
Gij zult geenszins sterven maar God weet dat ten dage dat gij daarvan
eet, uw ogen geopend zullen worden en als God zult zijn, kennende goed
en kwaad. (Gen. 3:4 en 5) Letterlijk staat er dus dat wij door het
eten van de verboden vrucht aan God gelijk worden. Ons onderscheidingsvermogen
ontwaakt en we kunnen ons lot in eigen hand nemen, zijn het dierenrijk
ontgroeit. Zei Jezus niet? Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb
gezegd, gij zijt goden? (Joh. 10:34).
En nu tijd voor een mooi leerzaam sprookje, waarin de slang
uiteraard de hoofdrol speelt.
1) Zie Isis Unveiled van H.P. Blavatsky, II,
456-463. [ Terug ]
2) De nul is de bron en oorsprong van de fenomenale wereld. De
één is het eerste dat zich uit deze onkenbare goddelijke
bron losmaakt, maar kan alleen beredeneerd worden omdat er niets is dat
het kan waarnemen. De één ontvouwt zich tot de dualiteit
en polariteit, de twee. Hieruit komt de eerste logos voort, de geestelijke
wereld. Zie ook de brief over het getal
Pi. [ Terug ]
3) Met het denkvermogen wordt niet het gewone intellectuele vermogen
bedoeld, maar het geestelijke denken, de liefde en wijsheid die zijn zetel
in het hart heeft. [ Terug ]

De slangenkoning
Een Calabrische legende
| O |
Op dat moment passeerde er een slang, met zijn kleintjes achter zich aan. ‘Ik zou al gelukkig zijn om moeder te zijn van een slangenkind!’ riep ze uit.
Niet lang daarna werd het duidelijk dat de koningin zwanger was. Maar toen het kind werd geboren bleek het een slang te zijn. De verbaasde koningin herinnerde zich al snel wat ze in het veld had gezegd, en vanaf die dag hield ze van de slangenzoon net alsof het een gewone baby was.
De slang at wel voor twee babies en groeide enorm, dag na dag totdat hij een enorme omvang had bereikt. Toen riep hij zijn kamermeisje en zei, ‘Zeg tegen mijn vader dat ik een vrouw wil, een prachtige rijke vrouw!’
Het kamermeisje was bang en vroeg om van haar taak te worden ontslagen, maar de koningin verlangde van haar dat ze haar plicht deed en voor haar zoon zorgde. Toen ze weer in zijn kamer kwam, zei de slang opnieuw dat hij een vrouw wilde, een prachtige rijke vrouw!’
Het kamermeisje vertelde de koningin wat er gebeurd was en de koningin riep een van haar boeren. Ze zei hem, ‘Ik zal je rijk belonen als je mij een van jouw dochters geeft.’ De boer was snel akkoord en de slang en zijn dochter trouwden. Die nacht werd de slang wakker en zei tegen zijn nieuwe vrouw, ‘Hoe laat is het?’
Het was vroeg in de ochtend en de bruid zei, ‘Nu staat mijn vader op en gaat hij naar zijn akkers.’
‘Jij bent een boerendochter!’ riep de slang uit en beet haar in de hals, waardoor ze meteen stierf.
Toen het kamermeisje met het ontbijt kwam trof ze haar nieuwe bazin dood aan. De slang zei, ‘Zeg tegen mijn vader dat ik een vrouw wil, een prachtige rijke vrouw!’
De koning riep toen een schoenmaker met een ongehuwde dochter bij zich. Ook hem bood ze een ruime beloning en opnieuw trad de slang in het huwelijk.
De volgende ochtend vroeg werd de slang wakker en vroeg hoe laat het was. ‘Het is de tijd waarop mijn vader wakker wordt en aan zijn leest aan het werk gaat,’ antwoordde ze.
‘Je bent de dochter van een schoenmaker!’ schreeuwde de slang! En ook haar doodde hij in een flits.
Zo ging het nog een paar keer door totdat de koningin uiteindelijk de naburige keizer om zijn dochters hand vroeg. De keizer twijfelde bij de gedachte dat hij zijn dochter zou uithuwelijken aan een slang, maar zijn vrouw — de stiefmoeder van zijn dochter — drong erop aan het aanbod aan te nemen.
De dochter van de keizer ging naar het graf van haar moeder en zei ‘Oh, moeder, wat moet ik doen?’
Vanuit het graf antwoordde haar moeder, ‘Trouw de slang. Maar op je trouwdag moet je zeven jurken aantrekken. Als je in de slaapkamer alleen bent met de slang moet je tegen hem zeggen, ‘Als ik een jurk uitdoe, moet jij ook één kledingstuk afwerpen.’ Dan doe je de eerste jurk af, hij zal dan zijn eerste huid afwerpen. Doe dit steeds zo.’
De dochter volgde haar moeders advies op. Elke keer deed ze een jurk af en de slang verwijderde een huid. Toen hij uiteindelijk zijn zevende huid had afgedaan stond daar een verbazingwekkend knappe man.
Ze gingen naar bed, maar in het midden van de nacht vroeg de bruidegom, ‘hoe laat is het?’
‘Het is het uur dat mijn vader terugkomt van zijn bezoek aan het theater.’
Een tijdje later vroeg de kersverse echtgenoot ‘Hoe laat is het?’
‘Het is het uur dat mijn vader zijn laatste maaltijd gebruikt.’
Tegen zonsopgang vroeg hij, ‘Hoe laat is het?’
‘Op dit uur drinkt mijn vader zijn eerste kop koffie.’
De slangenkoning kustte haar en zei, ‘Jij bent mijn inderdaad mijn vrouw. Vertel tegen niemand dat ik ’s nachts een mens word. Mocht je het toch doen, dan verlies je me.’ Toen veranderde hij weer in een slang. De volgende nacht zei de slang, ‘Ik kan ook overdag een man zijn als je doet wat ik je vraag.’
‘Ik zal alles doen, wat je ook vraagt’ antwoordde zijn echtgenote.
‘ ’s Avonds zal er een bal zijn in de zaal van mijn moeder, ga er naar toe. Iedereen zal je ten dans vragen, maar weiger hen allen tot je een rood geklede ridder ziet. Die zal ik zijn. Sta dan op en dans met me.’
[ De rood geklede ridder symboliseert het elektrische vuur van de geest. Een hoge staat van geestelijke activiteit.]
Het uur sloeg dat het hof bijeenkwam voor het bal. Prinsen en hertogen vroegen haar ten dans, maar ze antwoordde dat ze te moe was en zo op haar gemak in haar stoel zat en daar de voorkeur aan gaf. De koning en koningin vonden haar gedrag maar onbeschaamd, maar ze namen aan dat ze de verzoeken afwees omdat ze nu gehuwd was.
Een in rood gehulde ridder kwam de zaal binnen. De prinses stond op en danste met hem, en ze dansten urenlang.
Toen het bal was afgelopen zeiden de koning en koningin ‘Waarom ging je dansen met een wildvreemde maar met niemand anders? Hoe durf je ons zo voor gek te zetten!’
Toen ze naar bed ging zei de dochter van de keizerin tegen de slang dat zijn ouders haar onheus hadden bejegend. ‘Geeft niet,’ zei hij. ‘Hou het nog twee dagen vol. Na de derde dag zal ik voor altijd in een man veranderen. De volgende avond zal ik in het zwart gekleed gaan. Dans alleen met mij, wat de koning en koningin ook mogen doen.’
[ De zwart geklede ridder heeft de rode gloed van de geestelijke kracht al verloren. Hiermee is de afdaling van de slang door de diverse geestelijke werelden een feit. ]
De volgende avond weigert de prinses wederom alle uitnodigingen om te dansen totdat de zwarte ridder arriveert. Met genoegen neemt ze zijn uitnodiging aan en gaat met hem de dansvloer op, waarop haar schoonouders bezwaar maken. ‘Ben je van plan ons elke avond voor schut te zetten?’ Ze slaan haar.
Huilend doet de dochter van de keizer verslag aan haar echtgenoot. Hij antwoordt: ‘Mijn lieve vrouw, verdraag nog slechts één avond. Morgen zal ik verkleed als monnik komen.’
[Hier zien de we laatste en laagste fase. De onbekende schrijver van dit verhaal had duidelijk geen hoge pet op van het christelijke leven. Hij speelt dan een nog kuise man, maar een die zijn spirituele geloften verraadt. Lager kan hij bijna niet zinken.]
En dus danste de prinses die avond met de monnik, waarop de koning en koningin werkelijk uitzinnig van woede raakten. Ze sloegen haar met een knuppel en vergaten niet de monnik ook zijn deel te geven, die daarop veranderde in een enorme vogel (zie dit als symbool voor de geschokte ontlichaamde ziel) en weg vloog. ‘Kijk wat jullie nu hebben gedaan!’ schreeuwde de dochter van de keizer hysterisch. ‘Dat was jullie zoon!’
Toen zij hoorden dat zij hun zoon hadden belet de betovering te verbreken en voorgoed in een mens te veranderen, barstten de koninklijke lieden in huilen uit en smeekten hun schoondochter om vergeving.
Vervolgens betaalde de prinses de glazenier vijftig goudstukken voor het herstellen van de ramen die haar man aan gruzelementen had gevlogen. Toen volgde ze het spoor dat haar man had achtergelaten en vergoedde iedereen de schade die ze door de passage van de vogel hadden opgelopen.
Na enige tijd kwam ze bij een boom vol vogels waaronder haar man. Ze smeekte hem terug te keren, maar hij pikte haar ogen uit en sneed haar handen af met zijn scherpe snavel. Toen vloog hij terug naar het paleis van zijn ouders, waar hij opnieuw in een mens veranderde.
Ondertussen zocht de prinses half op de tast het paleis terug. Ze kwam een oude vrouw tegen die, zo wil het toeval, de Moeder van God was. De oude vrouw genas haar.
Toen ze bij het paleis kwam, zei haar echtgenoot. ‘Mijn schat, ik ben zo blij je weer terug te zien.’
‘Herinner je je niet wat je mij hebt aangedaan?’ vroeg ze.
‘Ik kon er niets aan doen,’ antwoordde hij. ‘Ik was betoverd.’
‘En dus laat je je ouders mij slaan en kwetsen, en pik je mijn ogen uit en snij je mijn handen eraf!’ huilde ze.
‘Als ik dat niet had gedaan, zou ik voor altijd een slang zijn gebleven,’ antwoordde de prins.
‘Maar je was ook een vogel!’
‘Nou ja, dan denk ik dat ik dan ook altijd een vogel had moeten blijven, zeker.’
En de prinses besloot haar hand over haar hart te strijken. ‘Dan moet ik er maar in berusten dat je onder de gegeven omstandigheden geen keuze kan hebben gehad.’
_____________________________
*Uit: The Serpent’s Tale, Snakes in Folklore and Literature, Edited by Gregory McNamee.
Door Fred A. Pruyn, oktober 2005